-
Posterus, postera, posterum
Volgend
-
-
Infero, intuli (inferre)
- 1. Brengen naar
- 2. Veroorzaken, aandoen
-
-
Magnitudo, magnitudinis (vrl)
Grootte, omvang
-
-
Vacuus, vacua, vacuum
Leeg
-
-
-
iit (perf)
(Hij) is gegaan, (hij) ging
-
-
Se
- 1. (In A.c.I.) hij, zij (ev.), zij (mv.)
- 2. Zich
-
Ostendo, ostendi (ostendęre)
Tonen, laten zien
-
Pietas, pietatis (vrl.)
Plichtsgevoel, liefde, trouw
-
|
|