9A

  1. Consul, consulis
    Consul
  2. Unus, una, unum
    een (1)
  3. Corpus, corporis (onz.)
    Lichaam
  4. Spes, acc. Spem
    Hoop, verwachting
  5. Ubique
    Overal
  6. Salus, salutis (vrl.)
    Redding, behoud, gezondheid
  7. Fortuna
    • 1. Lot
    • 2. Geluk
    • 3. Ongeluk
  8. Impetus
    Aanval
  9. Murus
    Muur
  10. Alter, altera, altarum
    De een , de ander (van twee)
  11. Defendo, defendi (defendęre)
    Verdedigen, beschermen
  12. Pons, pontis. (Mnl.)
    Brug
  13. Custodio (custodire)
    Bewaken, passen op
  14. Erant (imperf.)
    Zij waren
  15. Dies, acc. Diem (mnl/vrl)
    Dag
  16. Nox, noctis (vrl.)
    Nacht
  17. Sto, steti (stare)
    Staan
  18. Mons, montis (mnl.)
    Berg
  19. Exclamo (exclamare)
    Uitroepen, uitschreeuwen
  20. Fuit
    (Hij) is geweest, (hij) was (perf. van esse), (zij) zijn geweest, (zij) waren (perf. van esse)
  21. Arma, armorum (onz. Mv.)
    Wapens
  22. Fugio, fugi (fugęre)
    Vluchten
  23. Coepi (perf.)
    Beginnen
Author
Madeleine
ID
319276
Card Set
9A
Description
latijn woordjes
Updated