9A

  1. εν + dat
    In, op, bij
  2. ό στρατηγος
    Legeraanvoerder
  3. παρεισιν
    (Zij) zijn aanwezig
  4. ό ναυτης
    Zeeman, matroos
  5. ό στρατιωτης
    Soldaat
  6. τα όπλα (onz. mv.)
    Wapens
  7. ... τε και ...
    En (verbindt twee woord(groep)en nauw met elkaar)
  8. χαιρω + dat
    Blij zijn met, zich verheugen ovet
  9. παυω
    (Doen) stoppen, (doen) ophouden
  10. κωλυω (+ inf)
    Verhinderen, beletten (om)
  11. ή θεος
    Godin
  12. τοδε, mv. ταδε
    • 1. Dit
    • 2. Het volgende
  13. ουδε
    • 1. En niet, maar niet
    • 2. Ook niet, zelfs niet
  14. εχθρος + dat
    Gehaat bij, vijandig aan
Author
Madeleine
ID
317720
Card Set
9A
Description
grieks woordjes
Updated