-
lichaamsdeel
la parte del cuerpo
-
-
in vorm zijn
estar en forma
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
jongere
el/la adolescente
-
-
in vorm blijven
mantenerse en forma
-
-
-
-
het centrum vd wereld zijn
ser el ombligo del mundo
-
-
ik krijg het niet in mijn hoofd
no me entra en la cabeza
-
met open mond staan
quedarse con la boca abierta
-
je moet heel voorzichtig zijn
hay que tener mucho ojo
-
een blunder begaan
meter la pata
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
druk uitoefenen
hacer presión
-
-
-
-
-
-
-
deelnemen (aan)
participar (en)
-
-
in het algemeen
en general
-
-
stoppen met, ophouden te
dejar de
-
zojuist iets gedaan hebben
acabar de
-
nog steeds iets doen
seguir + gerundio
-
weer iets doen
volver a +inf
-
-
-
nog steeds niet doen
seguir sing +inf
-
-
-
fitnessen, trainen
hacer ejercicio
-
-
zich voelen
sentirse (ie)
-
-
-
-
-
-
-
conservering
la conservación
-
-
-
-
-
-
-
-
junkfood
la comida basura
-
-
bijdragen aan
contribuir a
-
gelijk blijven
seguir igual
-
kraanwater
el agua del grifo
-
middagslaapje doen
dormir (ue) la siesta
-
zijn mening geven
dar su opinión
-
-
hakken, fijnsnijden
picar
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
ingrediënt
en ingrediente
-
-
alles bij elkaar
todo junto
|
|