ASOP Triage oefenvragen deel 1

  1. Noem 4 functies van ons skelet
    • Beweging/aanhechtingsplaats spieren
    • Ondersteuning/vorm
    • Bescherming
    • Aanmaak bloedcellen (rode beenmerg in bot)
  2. Noem 3 soorten beenderen + 2 voorbeelden.
    • Pijpbeenderen (dijbeen, ellepijp)
    • Platte beenderen (sternum, schedel)
    • Overige, irreguloire botten (knieschijf, gehoorsbotjes)
  3. Noem 3 soorten botverbindingen + 1 voorbeeld.
    • Kraakbeenverbinding (ribben aan sternum)
    • Naadverbinding (verbindingen in schedel)
    • Bindweefsel (kniegewricht)
  4. Noem 3 onderdelen van de schedel.
    • Schedeldak
    • Schedelbasis
    • Aangezicht
  5. Waaruit is borstkas opgebouwd en wat is de belangrijkste functie van de bouw?
    Ribben, borstbeen en wervels, bescherming van vitale organen (hart en longen)
  6. Wat is een belangrijk kenmerk van de tussencelstof van steunweefsels?
    • Bepaald de stevigheid.
    • (steunweefsel: bot, kraakbeen, bindweefsel)
  7. Wat is het verschil tussen een kneuzing en verstuiking?
    • Kneuzing: beschadiging onderhuids bindweefsel en onderliggende spieren.
    • Verstuiking: oprekking gewrichtskapsel.
  8. Uit welke onderdelen bestaat ons urinewegstelsel?
    Nieren, urineblaas, urineleiders en urinebuis
  9. Noem 5 soorten basisweefsel
    • Dekweefsel (epitheel)
    • Zenuwweefsel
    • Spierweefsel
    • Steunweefsel
    • Bloed
  10. De hartspier is een:



    D.
  11. De kleine bloedsomloop gaat van:




    C.
  12. De spierwand van het hart is niet overal even dik. Het dikste deel is:



    C.
  13. Aanmaak van rode bloedcellen, ery's, gebeurt bij volwassenen in:



    A.
  14. Het bloedvolume van een volwassene is:



    B.
  15. Lymfe is:



    A.
  16. Rode bloedcellen dienen voor:



    B.
  17. Endocard is:


    B.
  18. Antigeen is:


    B.
  19. Slagaders (arterien) zijn bloedvaten die:



    A.
  20. De laatste ader van de grote circulatie is:



    D.
  21. Bij de slagaders bestaat het middelste gedeelte van de wand uit:



    D.
  22. Als in de bloedvaten kleppen voorkomen, zijn het:



    A.
  23. I. Een samentrekking van het hart is een diastole.
    II. De mitraalklep ligt tussen linkerboezem- en ventrikel.
    Juist/onjuist?
    I is onjuist, II is juist
  24. De bloeddruk 125/80 betekent:



    A.
  25. De wanden van de haarvaten (capillairen) bestaan uit:



    D.
  26. Welke van de volgende hartdelen speelt geen rol in de geleiding van de prikkel:



    B.
  27. De kransslagaderen ontspringen uit:



    D.
  28. De elasticiteit van de wand van een slagader is ... dan die van een ader:



    D.
  29. Tussen beide harthelften is een open verbinding:



    D.
  30. Weefselvocht wat niet door het bloed wordt teruggenomen, wordt afgevoerd door:



    A.
  31. Iemand verteld dat hij longemfyseem heeft
    a. Wat betekent dit?
    b. Waardoor wordt dit veroorzaakt?
    • a. Samenvallen longblaasjes, verliezen van elasticiteit. Tussenschotjes vallen weg.
    • b. Constante prikkeling door hoesten, blaasjes gaan kapot door drukverhoging (bijv. bij roken)
  32. Iemand is in het ziekenhuis opgenomen met exacerbatie COPD.
    a. Wat betekent exacerbatie?
    b. Wat betekent COPD?
    • a. Verergering/opleving
    • b. Chronic Obstructive Pulmonary Disease
  33. Noem 3 symptomen waarbij er een verdenking op een longembolie kan zijn.
    • Verhoogde pols
    • Kortademigheid
    • Pijn op de borst
    • Koorts
    • Bloederig sputum
  34. Noem 2 risicofactoren voor een longembolie.
    trombosebeen, zwangerschap
  35. Waarom wordt bij griep (influenza) meestal geen AB voorgeschreven?
    Waarom soms wel?
    • Wordt door een virus veroorzaakt.
    • Risico door verminderde weerstand op bacteriele infectie eroverheen
  36. Noem een oorzaak van het ontstaan van een pneumothorax
    trauma, spontaan, iatrogeen, tumor, ontsteking
  37. Welk medicijn wordt meestal gegeven indien longoedeem wordt vastgesteld
    diureticum
  38. noem 2 gevaren van goedaardige (benigne) tumoren
    • groei, waardoor vitale organen in de verdrukking komen (functieverlies)
    • ontwikkeling tot maligniteit
  39. Wat is weefsel?
    Groep cellen met zelfde bouw en functie.
  40. Wat is de belangrijkste eigenschap van de celwand?
    semi-permeabel
  41. Noem 4 groepen pathogene micro-organismen
    • Bacterien
    • Virussen
    • Schimmels/gisten
    • Protozoa
    • Wormen
  42. Noem 4 lokale ontstekingsverschijnselen
    • warm (calor)
    • rood (rubor)
    • dik (tumor)
    • pijnlijk (dolor)
  43. Wanneer is sprake van een infectie
    Als pathogene micro-organismen zich in het lichaam verspreiden en vermenigvuldigen
  44. Wat zijn algemene ontstekingsverschijnselen
    • koorts
    • alg. malaise
    • leukocytose
    • verhoogde hartfrequentie (tachycardie)
  45. Kenmerken van kwaadaardigheid
    • Infiltratief
    • Destructief
    • Metastaseren
  46. Noem 6 voedingsstoffen die we nodig hebben
    • Koolhydraten
    • Vetten
    • Vitamines
    • Eiwitten
    • Water
    • Mineralen
  47. Noem 4 functie van het spijsverteringskanaal
    • Vertering
    • Vervoer
    • Opname
    • Uitscheiding
  48. Waaruit bestaat maagsap?
    water, slijm, maagzuur, spijsverteringsenzymen, Intrinsic Factor, gastrine
  49. Waaruit bestaat darmsap?
    water, slijm, spijsverteringsenzymen
Author
Anubie
ID
221890
Card Set
ASOP Triage oefenvragen deel 1
Description
ASOP Triage oefenvragen deel 1
Updated