Home
Flashcards
Preview
AlleTijdenTotaal.txt
Home
Get App
Take Quiz
Create
ik spreek
hablo
jij spreekt
hablas
hij/zij/u spreekt
habla
wij spreken
hablamos
jullie spreken
habláis
zij spreken
hablan
ik sprak
hablé
jij sprak
hablaste
hij/zij/u sprak
habló
wij spraken
hablamos
jullie spraken
hablasteis
zij spraken
hablaron
ik zal spreken spreken
hablaré
jij zal spreken
hablarás
hij/zij/u zal spreken
hablará
wij zullen spreken
hablaremos
jullie zullen spreken
hablaréis
zij zullen spreken
hablarán
ik ben aan het spreken
estoy hablando
jij bent aan het spreken
estás hablando
hij/zij/u is aan het spreken
está hablando
wij zijn aan het spreken
estamos hablando
jullie zijn aan het spreken
estáis hablando
zij zijn aan het spreken
están hablando
ik heb gesproken
he hablado
jij hebt gesproken
has hablado
hij/zij/u heeft gesproken
ha hablado
wij hebben gesproken
hemos hablado
jullie hebben gesproken
habéis hablado
zij hebben gesproken
han hablado
ik eet
como
jij eet
comes
hij/zij/u eet
come
wij eten
comemos
jullie eten
coméis
zij eten
comen
ik at
comí
jij at
comiste
hij/zij/u at
comió
wij aten
comimos
jullie aten
comisteis
zij aten
comieron
ik zal eten eten
comeré
jij zal eten
comerás
hij/zij/u zal eten
comerá
wij zullen eten presente
comeremos
jullie zullen eten
comeréis
zij zullen eten
comerán
ik ben aan het eten
estoy comiendo
jij bent aan het eten
estás comiendo
hij/zij/u is aan het eten
está comiendo
wij zijn aan het eten
estamos comiendo
jullie zijn aan het eten
estáis comiendo
zij zijn aan het eten
están comiendo
ik heb gegeten
he comido
jij hebt gegeten
has comido
hij/zij/u heeft gegeten
ha comido
wij hebben gegeten futuro
hemos comido
jullie hebben gegeten
habéis comido
zij hebben gegeten
han comido
ik leef
vivo
jij leeft
vives
hij/zij/u leeft
vive
wij leven
vivimos
jullie leven
vivís
zij leven
viven
ik leefde
viví
jij leefde
viviste
hij/zij/u leefde
vivió
wij leefden
vivimos
jullie leefden
vivisteis
zij leefden
vivieron
ik zal leven
viviré
jij zal leven
vivirás
hij/zij/u zal leven
vivirá
wij zullen leven
viviremos
jullie zullen leven
viviréis
zij zullen leven
vivirán
ik ben aan het leven leven
estoy viviendo
jij bent aan het leven
estás viviendo
hij/zij/u is aan het leven
está viviendo
wij zijn aan het leven
estamos viviendo
jullie zijn aan het leven
estáis viviendo
zij zijn aan het leven
están viviendo
ik heb geleefd
he vivido
jij hebt geleefd
has vivido
hij/zij/u heeft geleefd
ha vivido
wij hebben geleefd
hemos vivido
jullie hebben geleefd
habéis vivido
zij hebben geleefd
han vivido
ik word geboren
nazco
jij wordt geboren
naces
hij/zij/u wordt geboren
nace
wij worden geboren
nacemos
jullie worden geboren
nacéis
zij worden geboren
nacen
ik werd geboren
nací
jij werd geboren
naciste
hij/zij/u werd geboren
nació
wij werden geboren
nacimos
jullie werden geboren
nacisteis
zij werden geboren
nacieron
ik zal geboren worden
naceré
jij zal geboren worden
nacerás
hij/zij/u zal geboren worden
nacerá
wij zullen geboren worden
naceremos
jullie zullen geboren worden
naceréis
zij zullen geboren worden
nacerán
ik ben aan het geboren worden
estoy naciendo
jij bent aan het geboren worden
estás naciendo
hij/zij/u is aan het geboren worden
está naciendo
wij zijn aan het geboren worden
estamos naciendo
jullie zijn aan het geboren worden
estáis naciendo
zij zijn aan het geboren worden
están naciendo
ik ben geboren
he nacido
jij bent geboren
has nacido
hij/zij/u is geboren
ha nacido
wij zijn geboren
hemos nacido
jullie zijn geboren
habéis nacido
zij zijn geboren
han nacido
ik ontvang
recibo
jij ontvangt
recibes
hij/zij/u ontvangt
recibe
wij ontvangen
recibimos
jullie ontvangen
recibís
zij ontvangen
reciben
ik ontving
recibí
jij ontving
recibiste
hij/zij/u ontving
recibió
wij ontvingen
recibimos
jullie ontvingen
recibisteis
zij ontvingen
recibieron
ik zal ontvangen
recibiré
jij zal ontvangen
recibirás
hij/zij/u zal ontvangen
recibirá
wij zullen ontvangen
recibiremos
jullie zullen ontvangen
recibiréis
zij zullen ontvangen
recibirán
ik ben aan het ontvangen
estoy recibiendo
jij bent aan het ontvangen
estás recibiendo
hij/zij/u is aan het ontvangen
está recibiendo
wij zijn aan het ontvangen
estamos recibiendo
jullie zijn aan het ontvangen
estáis recibiendo
zij zijn aan het ontvangen
están recibiendo
ik heb ontvangen
he recibido
jij hebt ontvangen
has recibido
hij/zij/u heeft ontvangen
ha recibido
wij hebben ontvangen
hemos recibido
jullie hebben ontvangen
habéis recibido
zij hebben ontvangen
han recibido
ik studeer
estudio
jij studeert
estudias
hij/zij/u studeert
estudia
wij studeren
estudiamos
jullie studeren
estudiáis
zij studeren
estudian
ik studeerde
estudié
jij studeerde
estudiaste
hij/zij/u studeerde
estudió
wij studeerden
estudiamos
jullie studeerden
estudiasteis
zij studeerden
estudiaron
ik zal studeren
estudiaré
jij zal studeren
estudiarás
hij/zij/u zal studeren
estudiará
wij zullen studeren
estudiaremos
jullie zullen studeren
estudiaréis
zij zullen studeren
estudiarán
ik ben aan het studeren
estoy estudiando
jij bent aan het studeren
estás estudiando
hij/zij/u is aan het studeren
está estudiando
wij zijn aan het studeren
estamos estudiando
jullie zijn aan het studeren
estáis estudiando
zij zijn aan het studeren
están estudiando
ik heb gestudeerd
he estudiado
jij hebt gestudeerd
has estudiado
hij/zij/u heeft gestudeerd
ha estudiado
wij hebben gestudeerd
hemos estudiado
jullie hebben gestudeerd
habéis estudiado
zij hebben gestudeerd
han estudiado
ik besluit
decido
jij besluit
decides
hij/zij/u besluit
decide
wij besluiten
decidimos
jullie besluiten
decidís
zij besluiten
deciden
ik besloot
decidí
jij besloot
decidiste
hij/zij/u besloot
decidió
wij besloten
decidimos
jullie besloten
decidisteis
zij besloten
decidieron
ik zal besluiten
decidiré
jij zal besluiten
decidirás
hij/zij/u zal besluiten
decidirá
wij zullen besluiten
decidiremos
jullie zullen besluiten
decidiréis
zij zullen besluiten
decidirán
ik ben aan het besluiten
estoy decidiendo
jij bent aan het besluiten
estás decidiendo
hij/zij/u is aan het besluiten
está decidiendo
wij zijn aan het besluiten
estamos decidiendo
jullie zijn aan het besluiten
estáis decidiendo
zij zijn aan het besluiten
están decidiendo
ik heb besloten
he decidido
jij hebt besloten
has decidido
hij/zij/u heeft besloten
ha decidido
wij hebben besloten
hemos decidido
jullie hebben besloten
habéis decidido
zij hebben besloten
han decidido
ik heb
tengo
jij hebt
tienes
hij/zij/u hebt
tiene
wij hebben
tenemos
jullie hebben
tenéis
zij hebben
tienen
ik had
tuve
jij had
tuviste
hij/zij/u had
tuvo
wij hadden
tuvimos
jullie hadden
tuvisteis
zij hadden
tuvieron
ik zal hebben
tendré
jij zal hebben
tendrás
hij/zij/u zal hebben
tendrá
wij zullen hebben
tendremos
jullie zullen hebben
tendréis
zij zullen hebben
tendrán
ik ben aan het hebben
estoy teniendo
jij bent aan het hebben
estás teniendo
hij/zij/u is aan het hebben
está teniendo
wij zijn aan het hebben
estamos teniendo
jullie zijn aan het hebben
estáis teniendo
zij zijn aan het hebben
están teniendo
ik heb gehad
he tenido
jij hebt gehad
has tenido
hij/zij/u heeft gehad
ha tenido
wij hebben gehad
hemos tenido
jullie hebben gehad
habéis tenido
zij hebben gehad
han tenido
ik ben
soy
jij bent
eres
hij/zij/u is
es
wij zijn
somos
jullie zijn
sois
zij zijn
son
ik was
fui
jij was
fuiste
hij/zij/u was
fue
wij waren
fuimos
jullie waren
fuisteis
zij waren
fueron
ik zal zijn
seré
jij zal zijn
serás
hij/zij/u zal zijn
será
wij zullen zijn
seremos
jullie zullen zijn
seréis
zij zullen zijn
serán
ik ben aan het zijn (ser)
estoy siendo
jij bent aan het zijn (ser)
estás siendo
hij/zij/u is aan het zijn (ser)
está siendo
wij zijn aan het zijn (ser)
estamos siendo
jullie zijn aan het zijn (ser)
estáis siendo
zij zijn aan het zijn (ser)
están siendo
ik ben geweest
he sido
jij bent geweest
has sido
hij/zij/u is geweest
ha sido
wij zijn geweest
hemos sido
jullie zijn geweest
habéis sido
zij zijn geweest
han sido
ik beïnvloed
influyo
jij beïnvloedt
influyes
hij/zij/u beïnvloedt
influye
wij beïnvloeden
influimos
jullie beïnvloeden
influís
zij beïnvloeden
influyen
ik beïnvloedde
influí
jij beïnvloedde
influiste
hij/zij/u beïnvloedde
influyó
wij beïnvloedden
influimos
jullie beïnvloedden
influisteis
zij beïnvloedden
influyeron
ik zal beïnvloeden
influiré
jij zal beïnvloeden
influirás
hij/zij/u zal beïnvloeden
influirá
wij zullen beïnvloeden
influiremos
jullie zullen beïnvloeden
influiréis
zij zullen beïnvloeden
influirán
ik ben aan het beïnvloeden
estoy influyendo
jij bent aan het beïnvloeden
estás influyendo
hij/zij/u is aan het beïnvloeden
está influyendo
wij zijn aan het beïnvloeden
estamos influyendo
jullie zijn aan het beïnvloeden
estáis influyendo
zij zijn aan het beïnvloeden
están influyendo
ik heb beïnvloed
he influido
jij hebt beïnvloed
has influido
hij/zij/u heeft beïnvloed
ha influido
wij hebben beïnvloed
hemos influido
jullie hebben beïnvloed
habéis influido
zij hebben beïnvloed
han influido
ik laat zien
manifiesto
jij laat zien
manifiestas
hij/zij/u laat zien
manifiesta
wij laten zien
manifestamos
jullie laten zien
manifestáis
zij laten zien
manifiestan
ik liet zien
manifesté
jij liet zien
manifestaste
hij/zij/u liet zien
manifestó
wij lieten zien
manifestamos
jullie lieten zien
manifestasteis
zij lieten zien
manifestaron
ik zal laten zien
manifestaré
jij zal laten zien
manifestarás
hij/zij/u zal laten zien
manifestará
wij zullen laten zien
manifestaremos
jullie zullen laten zien
manifestaréis
zij zullen laten zien
manifestarán
ik ben aan het laten zien
estoy manifestando
jij bent aan het laten zien
estás manifestando
hij/zij/u is aan het laten zien
está manifestando
wij zijn aan het laten zien
estamos manifestando
jullie zijn aan het laten zien
estáis manifestando
zij zijn aan het laten zien
están manifestando
ik heb laten zien
he manifestado
jij hebt laten zien
has manifestado
hij/zij/u heeft laten zien
ha manifestado
wij hebben laten zien
hemos manifestado
jullie hebben laten zien
habéis manifestado
zij hebben laten zien
han manifestado
ik doe open
abro
jij doet open
abres
hij/zij/u doet open
abre
wij doen open
abrimos
jullie doen open
abrís
zij doen open
abren
ik deed open
abrí
jij deed open
abriste
hij/zij/u deed open
abrió
wij deden open
abrimos
jullie deden open
abristeis
zij deden open
abrieron
ik zal open doen
abriré
jij zal open doen
abrirás
hij/zij/u zal open doen
abrirá
wij zullen open doen
abriremos
jullie zullen open doen
abriréis
zij zullen open doen
abrirán
ik ben aan het open doen
estoy abriendo
jij bent aan het open doen
estás abriendo
hij/zij/u is aan het open doen
está abriendo
wij zijn aan het open doen
estamos abriendo
jullie zijn aan het open doen
estáis abriendo
zij zijn aan het open doen
están abriendo
ik heb open gedaan
he abierto
jij hebt open gedaan
has abierto
hij/zij/u heeft open gedaan
ha abierto
wij hebben open gedaan
hemos abierto
jullie hebben open gedaan
habéis abierto
zij hebben open gedaan
han abierto
ik verhuis
me traslado
jij verhuist
te trasladas
hij/zij/u verhuist
se traslada
wij verhuizen
nos trasladamos
jullie verhuizen
os trasladáis
zij verhuizen
se trasladan
ik verhuisde
me trasladé
jij verhuisde
te trasladaste
hij/zij/u verhuisde
se trasladó
wij verhuisden
nos trasladamos
jullie verhuisden
os trasladasteis
zij verhuisden
se trasladaron
ik zal verhuizen
me trasladaré
jij zal verhuizen
te trasladarás
hij/zij/u zal verhuizen
se trasladará
wij zullen verhuizen
nos trasladaremos
jullie zullen verhuizen
os trasladaréis
zij zullen verhuizen
se trasladarán
ik ben aan het verhuizen
estoy trasladándose
jij bent aan het verhuizen
estás trasladándose
hij/zij/u is aan het verhuizen
está trasladándose
wij zijn aan het verhuizen
estamos trasladándose
jullie zijn aan het verhuizen
estáis trasladándose
zij zijn aan het verhuizen
están trasladándose
ik ben verhuisd
he trasladado
jij bent verhuisd
has trasladado
hij/zij/u is verhuisd
ha trasladado
wij zijn verhuisd
hemos trasladado
jullie zijn verhuisd
habéis trasladado
zij zijn verhuisd
han trasladado
ik werk
trabajo
jij werkt
trabajas
hij/zij/u werkt
trabaja
wij werken
trabajamos
jullie werken
trabajáis
zij werken
trabajan
ik werkte
trabajé
jij werkte
trabajaste
hij/zij/u werkte
trabajó
wij werkten
trabajamos
jullie werkten
trabajasteis
zij werkten
trabajaron
ik zal werken
trabajaré
jij zal werken
trabajarás
hij/zij/u zal werken
trabajará
wij zullen werken
trabajaremos
jullie zullen werken
trabajaréis
zij zullen werken
trabajarán
ik ben aan het werken
estoy trabajando
jij bent aan het werken
estás trabajando
hij/zij/u is aan het werken
está trabajando
wij zijn aan het werken
estamos trabajando
jullie zijn aan het werken
estáis trabajando
zij zijn aan het werken
están trabajando
ik heb gewerkt
he trabajado
jij hebt gewerkt
has trabajado
hij/zij/u heeft gewerkt
ha trabajado
wij hebben gewerkt
hemos trabajado
jullie hebben gewerkt
habéis trabajado
zij hebben gewerkt
han trabajado
ik trouw
me caso
jij trouwt
te casas
hij/zij/u trouwt
se casa
wij trouwen
nos casamos
jullie trouwen
os casáis
zij trouwen
se casan
ik trouwde
me casé
jij trouwde
te casaste
hij/zij/u trouwde
se casó
wij trouwden
nos casamos
jullie trouwden
os casasteis
zij trouwden
se casaron
ik zal trouwen
me casaré
jij zal trouwen
te casarás
hij/zij/u zal trouwen
se casará
wij zullen trouwen
nos casaremos
jullie zullen trouwen
os casaréis
zij zullen trouwen
se casarán
ik ben aan het trouwen
estoy casándose
jij bent aan het trouwen
estás casándose
hij/zij/u is aan het trouwen
está casándose
wij zijn aan het trouwen
estamos casándose
jullie zijn aan het trouwen
estáis casándose
zij zijn aan het trouwen
están casándose
ik ben getrouwd geweest
he casado
jij bent getrouwd geweest
has casado
hij/zij/u is getrouwd geweest
ha casado
wij zijn getrouwd geweest
hemos casado
jullie zijn getrouwd geweest
habéis casado
zij zijn getrouwd geweest
han casado
ik vang aan
comienzo
jij vangt aan
comienzas
hij/zij/u vangt aan
comienza
wij vangen aan
comenzamos
jullie vangen aan
comenzáis
zij vangen aan
comienzan
ik ving aan
comencé
jij ving aan
comenzaste
hij/zij/u ving aan
comenzó
wij vingen aan
comenzamos
jullie vingen aan
comenzasteis
zij vingen aan
comenzaron
ik zal aanvangen
comenzaré
jij zal aanvangen
comenzarás
hij/zij/u zal aanvangen
comenzará
wij zullen aanvangen
comenzaremos
jullie zullen aanvangen
comenzaréis
zij zullen aanvangen
comenzarán
ik ben aan het aanvangen
estoy comenzando
jij bent aan het aanvangen
estás comenzando
hij/zij/u is aan het aanvangen
está comenzando
wij zijn aan het aanvangen
estamos comenzando
jullie zijn aan het aanvangen
estáis comenzando
zij zijn aan het aanvangen
están comenzando
ik heb aangevangen
he comenzado
jij hebt aangevangen
has comenzado
hij/zij/u heeft aangevangen
ha comenzado
wij hebben aangevangen
hemos comenzado
jullie hebben aangevangen
habéis comenzado
zij hebben aangevangen
han comenzado
ik begin
empiezo
jij begint
empiezas
hij/zij/u begint
empieza
wij beginnen
empezamos
jullie beginnen
empezáis
zij beginnen
empiezan
ik begon
empecé
jij begon
empezaste
hij/zij/u begon
empezó
wij begonnen
empezamos
jullie begonnen
empezasteis
zij begonnen
empezaron
ik zal beginnen
empezaré
jij zal beginnen
empezarás
hij/zij/u zal beginnen
empezará
wij zullen beginnen
empezaremos
jullie zullen beginnen
empezaréis
zij zullen beginnen
empezarán
ik ben aan het beginnen
estoy empezando
jij bent aan het beginnen
estás empezando
hij/zij/u is aan het beginnen
está empezando
wij zijn aan het beginnen
estamos empezando
jullie zijn aan het beginnen
estáis empezando
zij zijn aan het beginnen
están empezando
ik ben begonnen
he empezado
jij bent begonnen
has empezado
hij/zij/u is begonnen
ha empezado
wij zijn begonnen
hemos empezado
jullie zijn begonnen
habéis empezado
zij zijn begonnen
han empezado
ik stop
acabo
jij stopt
acabas
hij/zij/u stopt
acaba
wij stoppen
acabamos
jullie stoppen
acabáis
zij stoppen
acaban
ik stopte
acabé
jij stopte
acabaste
hij/zij/u stopte
acabó
wij stopten
acabamos
jullie stopten
acabasteis
zij stopten
acabaron
ik zal stoppen
acabaré
jij zal stoppen
acabarás
hij/zij/u zal stoppen
acabará
wij zullen stoppen
acabaremos
jullie zullen stoppen
acabaréis
zij zullen stoppen
acabarán
ik ben aan het stoppen
estoy acabando
jij bent aan het stoppen
estás acabando
hij/zij/u is aan het stoppen
está acabando
wij zijn aan het stoppen
estamos acabando
jullie zijn aan het stoppen
estáis acabando
zij zijn aan het stoppen
están acabando
ik ben gestopt
he acabado
jij bent gestopt
has acabado
hij/zij/u is gestopt
ha acabado
wij zijn gestopt
hemos acabado
jullie zijn gestopt
habéis acabado
zij zijn gestopt
han acabado
ik maak af
acabo
jij maakt af
acabas
hij/zij/u maakt af
acaba
wij maken af
acabamos
jullie maken af
acabáis
zij maken af
acaban
ik maakte af
acabé
jij maakte af
acabaste
hij/zij/u maakte af
acabó
wij maakten af
acabamos
jullie maakten af
acabasteis
zij maakten af
acabaron
ik zal afmaken
acabaré
jij zal afmaken
acabarás
hij/zij/u zal afmaken
acabará
wij zullen afmaken
acabaremos
jullie zullen afmaken
acabaréis
zij zullen afmaken
acabarán
ik ben aan het afmaken
estoy acabando
jij bent aan het afmaken
estás acabando
hij/zij/u is aan het afmaken
está acabando
wij zijn aan het afmaken
estamos acabando
jullie zijn aan het afmaken
estáis acabando
zij zijn aan het afmaken
están acabando
ik heb afgemaakt
he acabado
jij hebt afgemaakt
has acabado
hij/zij/u heeft afgemaakt
ha acabado
wij hebben afgemaakt
hemos acabado
jullie hebben afgemaakt
habéis acabado
zij hebben afgemaakt
han acabado
ik zie
veo
jij ziet
ves
hij/zij/u ziet
ve
wij zien
vemos
jullie zien
veis
zij zien
ven
ik zag
vi
jij zag
viste
hij/zij/u zag
vio
wij zagen
vimos
jullie zagen
visteis
zij zagen
vieron
ik zal zien
veré
jij zal zien
verás
hij/zij/u zal zien
verá
wij zullen zien
veremos
jullie zullen zien
veréis
zij zullen zien
verán
ik ben aan het zien
estoy viendo
jij bent aan het zien
estás viendo
hij/zij/u is aan het zien
está viendo
wij zijn aan het zien
estamos viendo
jullie zijn aan het zien
estáis viendo
zij zijn aan het zien
están viendo
ik heb gezien
he visto
jij hebt gezien
has visto
hij/zij/u heeft gezien
ha visto
wij hebben gezien
hemos visto
jullie hebben gezien
habéis visto
zij hebben gezien
han visto
ik kom
vengo
jij komt
vienes
hij/zij/u komt
viene
wij komen
venimos
jullie komen
venís
zij komen
vienen
ik kwam
vine
jij kwam
viniste
hij/zij/u kwam
vino
wij kwamen
vinimos
jullie kwamen
vinisteis
zij kwamen
vinieron
ik zal komen
vendré
jij zal komen
vendrás
hij/zij/u zal komen
vendrá
wij zullen komen
vendremos
jullie zullen komen
vendréis
zij zullen komen
vendrán
ik ben aan het komen
estoy viniendo
jij bent aan het komen
estás viniendo
hij/zij/u is aan het komen
está viniendo
wij zijn aan het komen
estamos viniendo
jullie zijn aan het komen
estáis viniendo
zij zijn aan het komen
están viniendo
ik ben gekomen
he venido
jij bent gekomen
has venido
hij/zij/u is gekomen
ha venido
wij zijn gekomen
hemos venido
jullie zijn gekomen
habéis venido
zij zijn gekomen
han venido
ik ga naar binnen
entro
jij gaat naar binnen
entras
hij/zij/u gaat naar binnen
entra
wij gaan naar binnen
entramos
jullie gaan naar binnen
entráis
zij gaan naar binnen
entran
ik ging naar binnen
entré
jij ging naar binnen
entraste
hij/zij/u ging naar binnen
entró
wij gingen naar binnen
entramos
jullie gingen naar binnen
entrasteis
zij gingen naar binnen
entraron
ik zal naar binnen gaan
entraré
jij zal naar binnen gaan
entrarás
hij/zij/u zal naar binnen gaan
entrará
wij zullen naar binnen gaan
entraremos
jullie zullen naar binnen gaan
entraréis
zij zullen naar binnen gaan
entrarán
ik ben aan het naar binnen gaan
estoy entrando
jij bent aan het naar binnen gaan
estás entrando
hij/zij/u is aan het naar binnen gaan
está entrando
wij zijn aan het naar binnen gaan
estamos entrando
jullie zijn aan het naar binnen gaan
estáis entrando
zij zijn aan het naar binnen gaan
están entrando
ik ben naar binnen gegaan
he entrado
jij bent naar binnen gegaan
has entrado
hij/zij/u is naar binnen gegaan
ha entrado
wij zijn naar binnen gegaan
hemos entrado
jullie zijn naar binnen gegaan
habéis entrado
zij zijn naar binnen gegaan
han entrado
ik sterf
muero
jij sterft
mueres
hij/zij/u sterft
muere
wij sterven
morimos
jullie sterven
morís
zij sterven
mueren
ik stierf
morí
jij stierf
moriste
hij/zij/u stierf
murió
wij stierven
morimos
jullie stierven
moristeis
zij stierven
murieron
ik zal sterven
moriré
jij zal sterven
morirás
hij/zij/u zal sterven
morirá
wij zullen sterven
moriremos
jullie zullen sterven
moriréis
zij zullen sterven
morirán
ik ben aan het sterven
estoy muriendo
jij bent aan het sterven
estás muriendo
hij/zij/u is aan het sterven
está muriendo
wij zijn aan het sterven
estamos muriendo
jullie zijn aan het sterven
estáis muriendo
zij zijn aan het sterven
están muriendo
ik ben gestorven
he muerto
jij bent gestorven
has muerto
hij/zij/u is gestorven
ha muerto
wij zijn gestorven
hemos muerto
jullie zijn gestorven
habéis muerto
zij zijn gestorven
han muerto
ik ben
estoy
jij bent
estás
hij/zij/u is
está
wij zijn
estamos
jullie zijn
estáis
zij zijn
están
ik was
estuve
jij was
estuviste
hij/zij/u was
estuvo
wij waren
estuvimos
jullie waren
estuvisteis
zij waren
estuvieron
ik zal zijn
estaré
jij zal zijn
estarás
hij/zij/u zal zijn
estará
wij zullen zijn
estaremos
jullie zullen zijn
estaréis
zij zullen zijn
estarán
ik ben aan het zijn
estoy estando
jij bent aan het zijn
estás estando
hij/zij/u is aan het zijn
está estando
wij zijn aan het zijn
estamos estando
jullie zijn aan het zijn
estáis estando
zij zijn aan het zijn
están estando
ik ben geweest
he estado
jij bent geweest
has estado
hij/zij/u is geweest
ha estado
wij zijn geweest
hemos estado
jullie zijn geweest
habéis estado
zij zijn geweest
han estado
ik ga
voy
jij gaat
vas
hij/zij/u gaat
va
wij gaan
vamos
jullie gaan
vais
zij gaan
van
ik ging
fui
jij ging
fuiste
hij/zij/u ging
fue
wij gingen
fuimos
jullie gingen
fuisteis
zij gingen
fueron
ik zal gaan
iré
jij zal gaan
irás
hij/zij/u zal gaan
irá
wij zullen gaan
iremos
jullie zullen gaan
iréis
zij zullen gaan
irán
ik ben aan het gaan
estoy yendo
jij bent aan het gaan
estás yendo
hij/zij/u is aan het gaan
está yendo
wij zijn aan het gaan
estamos yendo
jullie zijn aan het gaan
estáis yendo
zij zijn aan het gaan
están yendo
ik ben gegaan
he ido
jij bent gegaan
has ido
hij/zij/u is gegaan
ha ido
wij zijn gegaan
hemos ido
jullie zijn gegaan
habéis ido
zij zijn gegaan
han ido
ik doe
hago
jij doet
haces
hij/zij/u doet
hace
wij doen
hacemos
jullie doen
hacéis
zij doen
hacen
ik deed
hice
jij deed
hiciste
hij/zij/u deed
hizo
wij deden
hicimos
jullie deden
hicisteis
zij deden
hicieron
ik zal doen
haré
jij zal doen
harás
hij/zij/u zal doen
hará
wij zullen doen
haremos
jullie zullen doen
haréis
zij zullen doen
harán
ik ben aan het doen
estoy haciendo
jij bent aan het doen
estás haciendo
hij/zij/u is aan het doen
está haciendo
wij zijn aan het doen
estamos haciendo
jullie zijn aan het doen
estáis haciendo
zij zijn aan het doen
están haciendo
ik heb gedaan
he hecho
jij hebt gedaan
has hecho
hij/zij/u heeft gedaan
ha hecho
wij hebben gedaan
hemos hecho
jullie hebben gedaan
habéis hecho
zij hebben gedaan
han hecho
ik maak
hago
jij maakt
haces
hij/zij/u maakt
hace
wij maken
hacemos
jullie maken
hacéis
zij maken
hacen
ik maakte
hice
jij maakte
hiciste
hij/zij/u maakte
hizo
wij maakten
hicimos
jullie maakten
hicisteis
zij maakten
hicieron
ik zal maken
haré
jij zal maken
harás
hij/zij/u zal maken
hará
wij zullen maken
haremos
jullie zullen maken
haréis
zij zullen maken
harán
ik ben aan het maken
estoy haciendo
jij bent aan het maken
estás haciendo
hij/zij/u is aan het maken
está haciendo
wij zijn aan het maken
estamos haciendo
jullie zijn aan het maken
estáis haciendo
zij zijn aan het maken
están haciendo
ik heb gemaakt
he hecho
jij hebt gemaakt
has hecho
hij/zij/u heeft gemaakt
ha hecho
wij hebben gemaakt
hemos hecho
jullie hebben gemaakt
habéis hecho
zij hebben gemaakt
han hecho
ik kan
puedo
jij kunt
puedes
hij/zij/u kan
puede
wij kunnen
podemos
jullie kunnen
podéis
zij kunnen
pueden
ik kon
pude
jij kon
pudiste
hij/zij/u kon
pudo
wij konden
pudimos
jullie konden
pudisteis
zij konden
pudieron
ik zal kunnen
podré
jij zal kunnen
podrás
hij/zij/u zal kunnen
podrá
wij zullen kunnen
podremos
jullie zullen kunnen
podréis
zij zullen kunnen
podrán
ik ben aan het kunnen
estoy pudiendo
jij bent aan het kunnen
estás pudiendo
hij/zij/u is aan het kunnen
está pudiendo
wij zijn aan het kunnen
estamos pudiendo
jullie zijn aan het kunnen
estáis pudiendo
zij zijn aan het kunnen
están pudiendo
ik heb gekund
he podido
jij hebt gekund
has podido
hij/zij/u heeft gekund
ha podido
wij hebben gekund
hemos podido
jullie hebben gekund
habéis podido
zij hebben gekund
han podido
ik zet neer
pongo
jij zet neer
pones
hij/zij/u zet neer
pone
wij zetten neer
ponemos
jullie zetten neer
ponéis
zij zetten neer
ponen
ik zette neer
puse
jij zette neer
pusiste
hij/zij/u zette neer
puso
wij zetten neer
pusimos
jullie zetten neer
pusisteis
zij zetten neer
pusieron
ik zal neerzetten
pondré
jij zal neerzetten
pondrás
hij/zij/u zal neerzetten
pondrá
wij zullen neerzetten
pondremos
jullie zullen neerzetten
pondréis
zij zullen neerzetten
pondrán
ik ben aan het neerzetten
estoy poniendo
jij bent aan het neerzetten
estás poniendo
hij/zij/u is aan het neerzetten
está poniendo
wij zijn aan het neerzetten
estamos poniendo
jullie zijn aan het neerzetten
estáis poniendo
zij zijn aan het neerzetten
están poniendo
ik heb neergezet
he puesto
jij hebt neergezet
has puesto
hij/zij/u heeft neergezet
ha puesto
wij hebben neergezet
hemos puesto
jullie hebben neergezet
habéis puesto
zij hebben neergezet
han puesto
ik heb
tengo
jij hebt
tienes
hij/zij/u heeft
tiene
wij hebben
tenemos
jullie hebben
tenéis
zij hebben
tienen
ik had
tuve
jij had
tuviste
hij/zij/u had
tuvo
wij hadden
tuvimos
jullie hadden
tuvisteis
zij hadden
tuvieron
ik zal hebben
tendré
jij zal hebben
tendrás
hij/zij/u zal hebben
tendrá
wij zullen hebben
tendremos
jullie zullen hebben
tendréis
zij zullen hebben
tendrán
ik ben aan het hebben
estoy teniendo
jij bent aan het hebben
estás teniendo
hij/zij/u is aan het hebben
está teniendo
wij zijn aan het hebben
estamos teniendo
jullie zijn aan het hebben
estáis teniendo
zij zijn aan het hebben
están teniendo
ik heb gehad
he tenido
jij hebt gehad
has tenido
hij/zij/u heeft gehad
ha tenido
wij hebben gehad
hemos tenido
jullie hebben gehad
habéis tenido
zij hebben gehad
han tenido
ik zeg
digo
jij zegt
dices
hij/zij/u zegt
dice
wij zeggen
decimos
jullie zeggen
decís
zij zeggen
dicen
ik zei
dije
jij zei
dijiste
hij/zij/u zei
dijo
wij zeiden
dijimos
jullie zeiden
dijisteis
zij zeiden
dijeron
ik zal zeggen
diré
jij zal zeggen
dirás
hij/zij/u zal zeggen
dirá
wij zullen zeggen
diremos
jullie zullen zeggen
diréis
zij zullen zeggen
dirán
ik ben aan het zeggen
estoy diciendo
jij bent aan het zeggen
estás diciendo
hij/zij/u is aan het zeggen
está diciendo
wij zijn aan het zeggen
estamos diciendo
jullie zijn aan het zeggen
estáis diciendo
zij zijn aan het zeggen
están diciendo
ik heb gezegd
he dicho
jij hebt gezegd
has dicho
hij/zij/u heeft gezegd
ha dicho
wij hebben gezegd
hemos dicho
jullie hebben gezegd
habéis dicho
zij hebben gezegd
han dicho
ik heb (hulpwerkwoord)
he
jij hebt (hulpwerkwoord)
has
hij/zij/u heeft (hulpwerkwoord)
ha, hay
wij hebben (hulpwerkwoord)
hemos
jullie hebben (hulpwerkwoord)
habéis
zij hebben (hulpwerkwoord)
han
ik had (hulpwerkwoord)
hube
jij had (hulpwerkwoord)
hubiste
hij/zij/u had (hulpwerkwoord)
hubo
wij hadden (hulpwerkwoord)
hubimos
jullie hadden (hulpwerkwoord)
hubisteis
zij hadden (hulpwerkwoord)
hubieron
ik zal hebben (hulpwerkwoord)
habré
jij zal hebben (hulpwerkwoord)
habrás
hij/zij/u zal hebben (hulpwerkwoord)
habrá
wij zullen hebben (hulpwerkwoord)
habremos
jullie zullen hebben (hulpwerkwoord)
habréis
zij zullen hebben (hulpwerkwoord)
habrán
ik ben aan het hebben
estoy habiendo
jij bent aan het hebben
estás habiendo
hij/zij/u is aan het hebben
está habiendo
wij zijn aan het hebben
estamos habiendo
jullie zijn aan het hebben
estáis habiendo
zij zijn aan het hebben
están habiendo
ik heb gehad
he habido
jij hebt gehad
has habido
hij/zij/u heeft gehad
ha habido
wij hebben gehad
hemos habido
jullie hebben gehad
habéis habido
zij hebben gehad
han habido
ik weet
sé
jij weet
sabes
hij/zij/u weet
sabe
wij weten
sabemos
jullie weten
sabéis
zij weten
saben
ik wist
supe
jij wist
supiste
hij/zij/u wist
supo
wij wisten
supimos
jullie wisten
supisteis
zij wisten
supieron
ik zal weten
sabré
jij zal weten
sabrás
hij/zij/u zal weten
sabrá
wij zullen weten
sabremos
jullie zullen weten
sabréis
zij zullen weten
sabrán
ik ben aan het weten
estoy sabiendo
jij bent aan het weten
estás sabiendo
hij/zij/u is aan het weten
está sabiendo
wij zijn aan het weten
estamos sabiendo
jullie zijn aan het weten
estáis sabiendo
zij zijn aan het weten
están sabiendo
ik heb geweten
he sabido
jij hebt geweten
has sabido
hij/zij/u heeft geweten
ha sabido
wij hebben geweten
hemos sabido
jullie hebben geweten
habéis sabido
zij hebben geweten
han sabido
ik ga uit
salgo
jij gaat uit
sales
hij/zij/u gaat uit
sale
wij gaan uit
salimos
jullie gaan uit
salís
zij gaan uit
salen
ik ging uit
salí
jij ging uit
saliste
hij/zij/u ging uit
salió
wij gingen uit
salimos
jullie gingen uit
salisteis
zij gingen uit
salieron
ik zal uitgaan
saldré
jij zal uitgaan
saldrás
hij/zij/u zal uitgaan
saldrá
wij zullen uitgaan
saldremos
jullie zullen uitgaan
saldréis
zij zullen uitgaan
saldrán
ik ben aan het uitgaan
estoy saliendo
jij bent aan het uitgaan
estás saliendo
hij/zij/u is aan het uitgaan
está saliendo
wij zijn aan het uitgaan
estamos saliendo
jullie zijn aan het uitgaan
estáis saliendo
zij zijn aan het uitgaan
están saliendo
ik ben uitgegaan
he salido
jij bent uitgegaan
has salido
hij/zij/u is uitgegaan
ha salido
wij zijn uitgegaan
hemos salido
jullie zijn uitgegaan
habéis salido
zij zijn uitgegaan
han salido
ik vertrek
salgo
jij vertrekt
sales
hij/zij/u vertrekt
sale
wij vertrekken
salimos
jullie vertrekken
salís
zij vertrekken
salen
ik vertrok
salí
jij vertrok
saliste
hij/zij/u vertrok
salió
wij vertrokken
salimos
jullie vertrokken
salisteis
zij vertrokken
salieron
ik zal vertrekken
saldré
jij zal vertrekken
saldrás
hij/zij/u zal vertrekken
saldrá
wij zullen vertrekken
saldremos
jullie zullen vertrekken
saldréis
zij zullen vertrekken
saldrán
ik ben aan het vertrekken
estoy saliendo
jij bent aan het vertrekken
estás saliendo
hij/zij/u is aan het vertrekken
está saliendo
wij zijn aan het vertrekken
estamos saliendo
jullie zijn aan het vertrekken
estáis saliendo
zij zijn aan het vertrekken
están saliendo
ik ben vertrokken
he salido
jij bent vertrokken
has salido
hij/zij/u is vertrokken
ha salido
wij zijn vertrokken
hemos salido
jullie zijn vertrokken
habéis salido
zij zijn vertrokken
han salido
ik lees
leo
jij leest
lees
hij/zij/u leest
lee
wij lezen
leemos
jullie lezen
leéis
zij lezen
leen
ik las
leí
jij las
leíste
hij/zij/u las
leyó
wij lazen
leímos
jullie lazen
leísteis
zij lazen
leyeron
ik zal lezen
leeré
jij zal lezen
leerás
hij/zij/u zal lezen
leerá
wij zullen lezen
leeremos
jullie zullen lezen
leeréis
zij zullen lezen
leerán
ik ben aan het lezen
estoy leyendo
jij bent aan het lezen
estás leyendo
hij/zij/u is aan het lezen
está leyendo
wij zijn aan het lezen
estamos leyendo
jullie zijn aan het lezen
estáis leyendo
zij zijn aan het lezen
están leyendo
ik heb gelezen
he leído
jij hebt gelezen
has leído
hij/zij/u heeft gelezen
ha leído
wij hebben gelezen
hemos leído
jullie hebben gelezen
habéis leído
zij hebben gelezen
han leído
ik schrijf
escribo
jij schrijft
escribes
hij/zij/u schrijft
escribe
wij schrijven
escribimos
jullie schrijven
escribís
zij schrijven
escriben
ik schreef
escribí
jij schreef
escribiste
hij/zij/u schreef
escribió
wij schreven
escribimos
jullie schreven
escribisteis
zij schreven
escribieron
ik zal schrijven
escribiré
jij zal schrijven
escribirás
hij/zij/u zal schrijven
escribirá
wij zullen schrijven
escribiremos
jullie zullen schrijven
escribiréis
zij zullen schrijven
escribirán
ik ben aan het schrijven
estoy escribiendo
jij bent aan het schrijven
estás escribiendo
hij/zij/u is aan het schrijven
está escribiendo
wij zijn aan het schrijven
estamos escribiendo
jullie zijn aan het schrijven
estáis escribiendo
zij zijn aan het schrijven
están escribiendo
ik heb geschreven
he escrito
jij hebt geschreven
has escrito
hij/zij/u heeft geschreven
ha escrito
wij hebben geschreven
hemos escrito
jullie hebben geschreven
habéis escrito
zij hebben geschreven
han escrito
ik keer terug
vuelvo
jij keert terug
vuelves
hij/zij/u keert terug
vuelve
wij keren terug
volvemos
jullie keren terug
volvéis
zij keren terug
vuelven
ik keerde terug
volví
jij keerde terug
volviste
hij/zij/u keerde terug
volvió
wij keerden terug
volvimos
jullie keerden terug
volvisteis
zij keerden terug
volvieron
ik zal terugkeren
volveré
jij zal terugkeren
volverás
hij/zij/u zal terugkeren
volverá
wij zullen terugkeren
volveremos
jullie zullen terugkeren
volveréis
zij zullen terugkeren
volverán
ik ben aan het terugkeren
estoy volviendo
jij bent aan het terugkeren
estás volviendo
hij/zij/u is aan het terugkeren
está volviendo
wij zijn aan het terugkeren
estamos volviendo
jullie zijn aan het terugkeren
estáis volviendo
zij zijn aan het terugkeren
están volviendo
ik ben teruggekeerd
he vuelto
jij bent teruggekeerd
has vuelto
hij/zij/u is teruggekeerd
ha vuelto
wij zijn teruggekeerd
hemos vuelto
jullie zijn teruggekeerd
habéis vuelto
zij zijn teruggekeerd
han vuelto
ik lach
río
jij lacht
ríes
hij/zij/u lacht
ríe
wij lachen
reímos
jullie lachen
reís
zij lachen
ríen
ik lachte
reí
jij lachte
reíste
hij/zij/u lachte
rio
wij lachten
reímos
jullie lachten
reísteis
zij lachten
rieron
ik zal lachen
reiré
jij zal lachen
reirás
hij/zij/u zal lachen
reirá
wij zullen lachen
reiremos
jullie zullen lachen
reiréis
zij zullen lachen
reirán
ik ben aan het lachen
estoy riendo
jij bent aan het lachen
estás riendo
hij/zij/u is aan het lachen
está riendo
wij zijn aan het lachen
estamos riendo
jullie zijn aan het lachen
estáis riendo
zij zijn aan het lachen
están riendo
ik heb gelachen
he reído
jij hebt gelachen
has reído
hij/zij/u heeft gelachen
ha reído
wij hebben gelachen
hemos reído
jullie hebben gelachen
habéis reído
zij hebben gelachen
han reído
ik betaal
pago
jij betaalt
pagas
hij/zij/u betaalt
paga
wij betalen
pagamos
jullie betalen
pagáis
zij betalen
pagan
ik betaalde
pagué
jij betaalde
pagaste
hij/zij/u betaalde
pagó
wij betaalden
pagamos
jullie betaalden
pagasteis
zij betaalden
pagaron
ik zal betalen
pagaré
jij zal betalen
pagarás
hij/zij/u zal betalen
pagará
wij zullen betalen
pagaremos
jullie zullen betalen
pagaréis
zij zullen betalen
pagarán
ik ben aan het betalen
estoy pagando
jij bent aan het betalen
estás pagando
hij/zij/u is aan het betalen
está pagando
wij zijn aan het betalen
estamos pagando
jullie zijn aan het betalen
estáis pagando
zij zijn aan het betalen
están pagando
ik heb betaald
he pagado
jij hebt betaald
has pagado
hij/zij/u heeft betaald
ha pagado
wij hebben betaald
hemos pagado
jullie hebben betaald
habéis pagado
zij hebben betaald
han pagado
ik dans
bailo
jij danst
bailas
hij/zij/u danst
baila
wij dansen
bailamos
jullie dansen
bailáis
zij dansen
bailan
ik danste
bailé
jij danste
bailaste
hij/zij/u danste
bailó
wij dansten
bailamos
jullie dansten
bailasteis
zij dansten
bailaron
ik zal dansen
bailaré
jij zal dansen
bailarás
hij/zij/u zal dansen
bailará
wij zullen dansen
bailaremos
jullie zullen dansen
bailaréis
zij zullen dansen
bailarán
ik ben aan het dansen
estoy bailando
jij bent aan het dansen
estás bailando
hij/zij/u is aan het dansen
está bailando
wij zijn aan het dansen
estamos bailando
jullie zijn aan het dansen
estáis bailando
zij zijn aan het dansen
están bailando
ik heb gedanst
he bailado
jij hebt gedanst
has bailado
hij/zij/u heeft gedanst
ha bailado
wij hebben gedanst
hemos bailado
jullie hebben gedanst
habéis bailado
zij hebben gedanst
han bailado
ik zoek
busco
jij zoekt
buscas
hij/zij/u zoekt
busca
wij zoeken
buscamos
jullie zoeken
buscáis
zij zoeken
buscan
ik zocht
busqué
jij zocht
buscaste
hij/zij/u zocht
buscó
wij zochten
buscamos
jullie zochten
buscasteis
zij zochten
buscaron
ik zal zoeken
buscaré
jij zal zoeken
buscarás
hij/zij/u zal zoeken
buscará
wij zullen zoeken
buscaremos
jullie zullen zoeken
buscaréis
zij zullen zoeken
buscarán
ik ben aan het zoeken
estoy buscando
jij bent aan het zoeken
estás buscando
hij/zij/u is aan het zoeken
está buscando
wij zijn aan het zoeken
estamos buscando
jullie zijn aan het zoeken
estáis buscando
zij zijn aan het zoeken
están buscando
ik heb gezocht
he buscado
jij hebt gezocht
has buscado
hij/zij/u heeft gezocht
ha buscado
wij hebben gezocht
hemos buscado
jullie hebben gezocht
habéis buscado
zij hebben gezocht
han buscado
ik haal op
busco
jij haalt op
buscas
hij/zij/u haalt op
busca
wij halen op
buscamos
jullie halen op
buscáis
zij halen op
buscan
ik haalde op
busqué
jij haalde op
buscaste
hij/zij/u haalde op
buscó
wij haalden op
buscamos
jullie haalden op
buscasteis
zij haalden op
buscaron
ik zal ophalen
buscaré
jij zal ophalen
buscarás
hij/zij/u zal ophalen
buscará
wij zullen ophalen
buscaremos
jullie zullen ophalen
buscaréis
zij zullen ophalen
buscarán
ik ben aan het ophalen
estoy buscando
jij bent aan het ophalen
estás buscando
hij/zij/u is aan het ophalen
está buscando
wij zijn aan het ophalen
estamos buscando
jullie zijn aan het ophalen
estáis buscando
zij zijn aan het ophalen
están buscando
ik heb opgehaald
he buscado
jij hebt opgehaald
has buscado
hij/zij/u heeft opgehaald
ha buscado
wij hebben opgehaald
hemos buscado
jullie hebben opgehaald
habéis buscado
zij hebben opgehaald
han buscado
ik zing
canto
jij zingt
cantas
hij/zij/u zingt
canta
wij zingen
cantamos
jullie zingen
cantáis
zij zingen
cantan
ik zong
canté
jij zong
cantaste
hij/zij/u zong
cantó
wij zongen
cantamos
jullie zongen
cantasteis
zij zongen
cantaron
ik zal zingen
cantaré
jij zal zingen
cantarás
hij/zij/u zal zingen
cantará
wij zullen zingen
cantaremos
jullie zullen zingen
cantaréis
zij zullen zingen
cantarán
ik ben aan het zingen
estoy cantando
jij bent aan het zingen
estás cantando
hij/zij/u is aan het zingen
está cantando
wij zijn aan het zingen
estamos cantando
jullie zijn aan het zingen
estáis cantando
zij zijn aan het zingen
están cantando
ik heb gezongen
he cantado
jij hebt gezongen
has cantado
hij/zij/u heeft gezongen
ha cantado
wij hebben gezongen
hemos cantado
jullie hebben gezongen
habéis cantado
zij hebben gezongen
han cantado
ik dineer
ceno
jij dineert
cenas
hij/zij/u dineert
cena
wij dineren
cenamos
jullie dineren
cenáis
zij dineren
cenan
ik dineerde
cené
jij dineerde
cenaste
hij/zij/u dineerde
cenó
wij dineerden
cenamos
jullie dineerden
cenasteis
zij dineerden
cenaron
ik zal dineren
cenaré
jij zal dineren
cenarás
hij/zij/u zal dineren
cenará
wij zullen dineren
cenaremos
jullie zullen dineren
cenaréis
zij zullen dineren
cenarán
ik ben aan het dineren
estoy cenando
jij bent aan het dineren
estás cenando
hij/zij/u is aan het dineren
está cenando
wij zijn aan het dineren
estamos cenando
jullie zijn aan het dineren
estáis cenando
zij zijn aan het dineren
están cenando
ik heb gedineerd
he cenado
jij hebt gedineerd
has cenado
hij/zij/u heeft gedineerd
ha cenado
wij hebben gedineerd
hemos cenado
jullie hebben gedineerd
habéis cenado
zij hebben gedineerd
han cenado
ik ontbijt
desayuno
jij ontbijt
desayunas
hij/zij/u ontbijt
desayuna
wij ontbijten
desayunamos
jullie ontbijten
desayunáis
zij ontbijten
desayunan
ik ontbeet
desayuné
jij ontbeet
desayunaste
hij/zij/u ontbeet
desayunó
wij ontbeten
desayunamos
jullie ontbeten
desayunasteis
zij ontbeten
desayunaron
ik zal ontbijten
desayunaré
jij zal ontbijten
desayunarás
hij/zij/u zal ontbijten
desayunará
wij zullen ontbijten
desayunaremos
jullie zullen ontbijten
desayunaréis
zij zullen ontbijten
desayunarán
ik ben aan het ontbijten
estoy desayunando
jij bent aan het ontbijten
estás desayunando
hij/zij/u is aan het ontbijten
está desayunando
wij zijn aan het ontbijten
estamos desayunando
jullie zijn aan het ontbijten
estáis desayunando
zij zijn aan het ontbijten
están desayunando
ik heb ontbeten
he desayunado
jij hebt ontbeten
has desayunado
hij/zij/u heeft ontbeten
ha desayunado
wij hebben ontbeten
hemos desayunado
jullie hebben ontbeten
habéis desayunado
zij hebben ontbeten
han desayunado
ik luister
escucho
jij luistert
escuchas
hij/zij/u luistert
escucha
wij luisteren
escuchamos
jullie luisteren
escucháis
zij luisteren
escuchan
ik luisterde
escuché
jij luisterde
escuchaste
hij/zij/u luisterde
escuchó
wij luisterden
escuchamos
jullie luisterden
escuchasteis
zij luisterden
escucharon
ik zal luisteren
escucharé
jij zal luisteren
escucharás
hij/zij/u zal luisteren
escuchará
wij zullen luisteren
escucharemos
jullie zullen luisteren
escucharéis
zij zullen luisteren
escucharán
ik ben aan het luisteren
estoy escuchando
jij bent aan het luisteren
estás escuchando
hij/zij/u is aan het luisteren
está escuchando
wij zijn aan het luisteren
estamos escuchando
jullie zijn aan het luisteren
estáis escuchando
zij zijn aan het luisteren
están escuchando
ik heb geluisterd
he escuchado
jij hebt geluisterd
has escuchado
hij/zij/u heeft geluisterd
ha escuchado
wij hebben geluisterd
hemos escuchado
jullie hebben geluisterd
habéis escuchado
zij hebben geluisterd
han escuchado
ik wacht
espero
jij wacht
esperas
hij/zij/u wacht
espera
wij wachten
esperamos
jullie wachten
esperáis
zij wachten
esperan
ik wachtte
esperé
jij wachtte
esperaste
hij/zij/u wachtte
esperó
wij wachtten
esperamos
jullie wachtten
esperasteis
zij wachtten
esperaron
ik zal wachten
esperaré
jij zal wachten
esperarás
hij/zij/u zal wachten
esperará
wij zullen wachten
esperaremos
jullie zullen wachten
esperaréis
zij zullen wachten
esperarán
ik ben aan het wachten
estoy esperando
jij bent aan het wachten
estás esperando
hij/zij/u is aan het wachten
está esperando
wij zijn aan het wachten
estamos esperando
jullie zijn aan het wachten
estáis esperando
zij zijn aan het wachten
están esperando
ik heb gewacht
he esperado
jij hebt gewacht
has esperado
hij/zij/u heeft gewacht
ha esperado
wij hebben gewacht
hemos esperado
jullie hebben gewacht
habéis esperado
zij hebben gewacht
han esperado
ik hoop
espero
jij hoopt
esperas
hij/zij/u hoopt
espera
wij hopen
esperamos
jullie hopen
esperáis
zij hopen
esperan
ik hoopte
esperé
jij hoopte
esperaste
hij/zij/u hoopte
esperó
wij hoopten
esperamos
jullie hoopten
esperasteis
zij hoopten
esperaron
ik zal hopen
esperaré
jij zal hopen
esperarás
hij/zij/u zal hopen
esperará
wij zullen hopen
esperaremos
jullie zullen hopen
esperaréis
zij zullen hopen
esperarán
ik ben aan het hopen
estoy esperando
jij bent aan het hopen
estás esperando
hij/zij/u is aan het hopen
está esperando
wij zijn aan het hopen
estamos esperando
jullie zijn aan het hopen
estáis esperando
zij zijn aan het hopen
están esperando
ik heb gehoopt
he esperado
jij hebt gehoopt
has esperado
hij/zij/u heeft gehoopt
ha esperado
wij hebben gehoopt
hemos esperado
jullie hebben gehoopt
habéis esperado
zij hebben gehoopt
han esperado
ik studeer
estudio
jij studeert
estudias
hij/zij/u studeert
estudia
wij studeren
estudiamos
jullie studeren
estudiáis
zij studeren
estudian
ik studeerde
estudié
jij studeerde
estudiaste
hij/zij/u studeerde
estudió
wij studeerden
estudiamos
jullie studeerden
estudiasteis
zij studeerden
estudiaron
ik zal studeren
estudiaré
jij zal studeren
estudiarás
hij/zij/u zal studeren
estudiará
wij zullen studeren
estudiaremos
jullie zullen studeren
estudiaréis
zij zullen studeren
estudiarán
ik ben aan het studeren
estoy estudiando
jij bent aan het studeren
estás estudiando
hij/zij/u is aan het studeren
está estudiando
wij zijn aan het studeren
estamos estudiando
jullie zijn aan het studeren
estáis estudiando
zij zijn aan het studeren
están estudiando
ik heb gestudeerd
he estudiado
jij hebt gestudeerd
has estudiado
hij/zij/u heeft gestudeerd
ha estudiado
wij hebben gestudeerd
hemos estudiado
jullie hebben gestudeerd
habéis estudiado
zij hebben gestudeerd
han estudiado
ik roep
llamo
jij roept
llamas
hij/zij/u roept
llama
wij roepen
llamamos
jullie roepen
llamáis
zij roepen
llaman
ik riep
llamé
jij riep
llamaste
hij/zij/u riep
llamó
wij riepen
llamamos
jullie riepen
llamasteis
zij riepen
llamaron
ik zal roepen
llamaré
jij zal roepen
llamarás
hij/zij/u zal roepen
llamará
wij zullen roepen
llamaremos
jullie zullen roepen
llamaréis
zij zullen roepen
llamarán
ik ben aan het roepen
estoy llamando
jij bent aan het roepen
estás llamando
hij/zij/u is aan het roepen
está llamando
wij zijn aan het roepen
estamos llamando
jullie zijn aan het roepen
estáis llamando
zij zijn aan het roepen
están llamando
ik heb geroepen
he llamado
jij hebt geroepen
has llamado
hij/zij/u heeft geroepen
ha llamado
wij hebben geroepen
hemos llamado
jullie hebben geroepen
habéis llamado
zij hebben geroepen
han llamado
ik bel
llamo
jij belt
llamas
hij/zij/u belt
llama
wij bellen
llamamos
jullie bellen
llamáis
zij bellen
llaman
ik belde
llamé
jij belde
llamaste
hij/zij/u belde
llamó
wij belden
llamamos
jullie belden
llamasteis
zij belden
llamaron
ik zal bellen
llamaré
jij zal bellen
llamarás
hij/zij/u zal bellen
llamará
wij zullen bellen
llamaremos
jullie zullen bellen
llamaréis
zij zullen bellen
llamarán
ik ben aan het bellen
estoy llamando
jij bent aan het bellen
estás llamando
hij/zij/u is aan het bellen
está llamando
wij zijn aan het bellen
estamos llamando
jullie zijn aan het bellen
estáis llamando
zij zijn aan het bellen
están llamando
ik heb gebeld
he llamado
jij hebt gebeld
has llamado
hij/zij/u heeft gebeld
ha llamado
wij hebben gebeld
hemos llamado
jullie hebben gebeld
habéis llamado
zij hebben gebeld
han llamado
ik huil
lloro
jij huit
lloras
hij/zij/u huit
llora
wij huilen
lloramos
jullie huilen
lloráis
zij huilen
lloran
ik huilde
lloré
jij huilde
lloraste
hij/zij/u huilde
lloró
wij huilden
lloramos
jullie huilden
llorasteis
zij huilden
lloraron
ik zal huilen
lloraré
jij zal huilen
llorarás
hij/zij/u zal huilen
llorará
wij zullen huilen
lloraremos
jullie zullen huilen
lloraréis
zij zullen huilen
llorarán
ik ben aan het huilen
estoy llorando
jij bent aan het huilen
estás llorando
hij/zij/u is aan het huilen
está llorando
wij zijn aan het huilen
estamos llorando
jullie zijn aan het huilen
estáis llorando
zij zijn aan het huilen
están llorando
ik heb gehuild
he llorado
jij hebt gehuild
has llorado
hij/zij/u heeft gehuild
ha llorado
wij hebben gehuild
hemos llorado
jullie hebben gehuild
habéis llorado
zij hebben gehuild
han llorado
ik zwem
nado
jij zwemt
nadas
hij/zij/u zwemt
nada
wij zwemmen
nadamos
jullie zwemmen
nadáis
zij zwemmen
nadan
ik zwemde
nadé
jij zwemde
nadaste
hij/zij/u zwemde
nadó
wij zwemden
nadamos
jullie zwemden
nadasteis
zij zwemden
nadaron
ik zal zwemmen
nadaré
jij zal zwemmen
nadarás
hij/zij/u zal zwemmen
nadará
wij zullen zwemmen
nadaremos
jullie zullen zwemmen
nadaréis
zij zullen zwemmen
nadarán
ik ben aan het zwemmen
estoy nadando
jij bent aan het zwemmen
estás nadando
hij/zij/u is aan het zwemmen
está nadando
wij zijn aan het zwemmen
estamos nadando
jullie zijn aan het zwemmen
estáis nadando
zij zijn aan het zwemmen
están nadando
ik heb gezwommen
he nadado
jij hebt gezwommen
has nadado
hij/zij/u heeft gezwommen
ha nadado
wij hebben gezwommen
hemos nadado
jullie hebben gezwommen
habéis nadado
zij hebben gezwommen
han nadado
ik heb nodig
necesito
jij hebt nodig
necesitas
hij/zij/u hebt nodig
necesita
wij hebben nodig
necesitamos
jullie hebben nodig
necesitáis
zij hebben nodig
necesitan
ik had nodig
necesité
jij had nodig
necesitaste
hij/zij/u had nodig
necesitó
wij hadden nodig
necesitamos
jullie hadden nodig
necesitasteis
zij hadden nodig
necesitaron
ik zal nodig hebben
necesitaré
jij zal nodig hebben
necesitarás
hij/zij/u zal nodig hebben
necesitará
wij zullen nodig hebben
necesitaremos
jullie zullen nodig hebben
necesitaréis
zij zullen nodig hebben
necesitarán
ik ben aan het nodig hebben
estoy necesitando
jij bent aan het nodig hebben
estás necesitando
hij/zij/u is aan het nodig hebben
está necesitando
wij zijn aan het nodig hebben
estamos necesitando
jullie zijn aan het nodig hebben
estáis necesitando
zij zijn aan het nodig hebben
están necesitando
ik heb nodig gehad
he necesitado
jij hebt nodig gehad
has necesitado
hij/zij/u heeft nodig gehad
ha necesitado
wij hebben nodig gehad
hemos necesitado
jullie hebben nodig gehad
habéis necesitado
zij hebben nodig gehad
han necesitado
ik beëindig
termino
jij beëindigt
terminas
hij/zij/u beëindigt
termina
wij beëindigen
terminamos
jullie beëindigen
termináis
zij beëindigen
terminan
ik beëindigde
terminé
jij beëindigde
terminaste
hij/zij/u beëindigde
terminó
wij beëindigden
terminamos
jullie beëindigden
terminasteis
zij beëindigden
terminaron
ik zal beëindigen
terminaré
jij zal beëindigen
terminarás
hij/zij/u zal beëindigen
terminará
wij zullen beëindigen
terminaremos
jullie zullen beëindigen
terminaréis
zij zullen beëindigen
terminarán
ik ben aan het beëindigen
estoy terminando
jij bent aan het beëindigen
estás terminando
hij/zij/u is aan het beëindigen
está terminando
wij zijn aan het beëindigen
estamos terminando
jullie zijn aan het beëindigen
estáis terminando
zij zijn aan het beëindigen
están terminando
ik heb beëindigd
he terminado
jij hebt beëindigd
has terminado
hij/zij/u heeft beëindigd
ha terminado
wij hebben beëindigd
hemos terminado
jullie hebben beëindigd
habéis terminado
zij hebben beëindigd
han terminado
ik neem
tomo
jij neemt
tomas
hij/zij/u neemt
toma
wij nemen
tomamos
jullie nemen
tomáis
zij nemen
toman
ik nam
tomé
jij nam
tomaste
hij/zij/u nam
tomó
wij namen
tomamos
jullie namen
tomasteis
zij namen
tomaron
ik zal nemen
tomaré
jij zal nemen
tomarás
hij/zij/u zal nemen
tomará
wij zullen nemen
tomaremos
jullie zullen nemen
tomaréis
zij zullen nemen
tomarán
ik ben aan het nemen
estoy tomando
jij bent aan het nemen
estás tomando
hij/zij/u is aan het nemen
está tomando
wij zijn aan het nemen
estamos tomando
jullie zijn aan het nemen
estáis tomando
zij zijn aan het nemen
están tomando
ik heb genomen
he tomado
jij hebt genomen
has tomado
hij/zij/u heeft genomen
ha tomado
wij hebben genomen
hemos tomado
jullie hebben genomen
habéis tomado
zij hebben genomen
han tomado
ik werk
trabajo
jij werkt
trabajas
hij/zij/u werkt
trabaja
wij werken
trabajamos
jullie werken
trabajáis
zij werken
trabajan
ik werkte
trabajé
jij werkte
trabajaste
hij/zij/u werkte
trabajó
wij werkten
trabajamos
jullie werkten
trabajasteis
zij werkten
trabajaron
ik zal werken
trabajaré
jij zal werken
trabajarás
hij/zij/u zal werken
trabajará
wij zullen werken
trabajaremos
jullie zullen werken
trabajaréis
zij zullen werken
trabajarán
ik ben aan het werken
estoy trabajando
jij bent aan het werken
estás trabajando
hij/zij/u is aan het werken
está trabajando
wij zijn aan het werken
estamos trabajando
jullie zijn aan het werken
estáis trabajando
zij zijn aan het werken
están trabajando
ik heb gewerkt
he trabajado
jij hebt gewerkt
has trabajado
hij/zij/u heeft gewerkt
ha trabajado
wij hebben gewerkt
hemos trabajado
jullie hebben gewerkt
habéis trabajado
zij hebben gewerkt
han trabajado
ik reis
viajo
jij reist
viajas
hij/zij/u reist
viaja
wij reizen
viajamos
jullie reizen
viajáis
zij reizen
viajan
ik reisde
viajé
jij reisde
viajaste
hij/zij/u reisde
viajó
wij reisden
viajamos
jullie reisden
viajasteis
zij reisden
viajaron
ik zal reizen
viajaré
jij zal reizen
viajarás
hij/zij/u zal reizen
viajará
wij zullen reizen
viajaremos
jullie zullen reizen
viajaréis
zij zullen reizen
viajarán
ik ben aan het reizen
estoy viajando
jij bent aan het reizen
estás viajando
hij/zij/u is aan het reizen
está viajando
wij zijn aan het reizen
estamos viajando
jullie zijn aan het reizen
estáis viajando
zij zijn aan het reizen
están viajando
ik heb gereisd
he viajado
jij hebt gereisd
has viajado
hij/zij/u heeft gereisd
ha viajado
wij hebben gereisd
hemos viajado
jullie hebben gereisd
habéis viajado
zij hebben gereisd
han viajado
ik leer
aprendo
jij leert
aprendes
hij/zij/u leert
aprende
wij leren
aprendemos
jullie leren
aprendéis
zij leren
aprenden
ik leerde
aprendí
jij leerde
aprendiste
hij/zij/u leerde
aprendió
wij leerden
aprendimos
jullie leerden
aprendisteis
zij leerden
aprendieron
ik zal leren
aprenderé
jij zal leren
aprenderás
hij/zij/u zal leren
aprenderá
wij zullen leren
aprenderemos
jullie zullen leren
aprenderéis
zij zullen leren
aprenderán
ik ben aan het leren
estoy aprendiendo
jij bent aan het leren
estás aprendiendo
hij/zij/u is aan het leren
está aprendiendo
wij zijn aan het leren
estamos aprendiendo
jullie zijn aan het leren
estáis aprendiendo
zij zijn aan het leren
están aprendiendo
ik heb geleerd
he aprendido
jij hebt geleerd
has aprendido
hij/zij/u heeft geleerd
ha aprendido
wij hebben geleerd
hemos aprendido
jullie hebben geleerd
habéis aprendido
zij hebben geleerd
han aprendido
ik eet
como
jij eet
comes
hij/zij/u eet
come
wij eten
comemos
jullie eten
coméis
zij eten
comen
ik at
comí
jij at
comiste
hij/zij/u at
comió
wij aten
comimos
jullie aten
comisteis
zij aten
comieron
ik zal eten
comeré
jij zal eten
comerás
hij/zij/u zal eten
comerá
wij zullen eten
comeremos
jullie zullen eten
comeréis
zij zullen eten
comerán
ik ben aan het eten
estoy comiendo
jij bent aan het eten
estás comiendo
hij/zij/u is aan het eten
está comiendo
wij zijn aan het eten
estamos comiendo
jullie zijn aan het eten
estáis comiendo
zij zijn aan het eten
están comiendo
ik heb gegeten
he comido
jij hebt gegeten
has comido
hij/zij/u heeft gegeten
ha comido
wij hebben gegeten
hemos comido
jullie hebben gegeten
habéis comido
zij hebben gegeten
han comido
ik begrijp
comprendo
jij begrijpt
comprendes
hij/zij/u begrijpt
comprende
wij begrijpen
comprendemos
jullie begrijpen
comprendéis
zij begrijpen
comprenden
ik begreep
comprendí
jij begreep
comprendiste
hij/zij/u begreep
comprendió
wij begrepen
comprendimos
jullie begrepen
comprendisteis
zij begrepen
comprendieron
ik zal begrijpen
comprenderé
jij zal begrijpen
comprenderás
hij/zij/u zal begrijpen
comprenderá
wij zullen begrijpen
comprenderemos
jullie zullen begrijpen
comprenderéis
zij zullen begrijpen
comprenderán
ik ben aan het begrijpen
estoy comprendiendo
jij bent aan het begrijpen
estás comprendiendo
hij/zij/u is aan het begrijpen
está comprendiendo
wij zijn aan het begrijpen
estamos comprendiendo
jullie zijn aan het begrijpen
estáis comprendiendo
zij zijn aan het begrijpen
están comprendiendo
ik heb begrepen
he comprendido
jij hebt begrepen
has comprendido
hij/zij/u heeft begrepen
ha comprendido
wij hebben begrepen
hemos comprendido
jullie hebben begrepen
habéis comprendido
zij hebben begrepen
han comprendido
ik ren
corro
jij rent
corres
hij/zij/u rent
corre
wij rennen
corremos
jullie rennen
corréis
zij rennen
corren
ik rende
corrí
jij rende
corriste
hij/zij/u rende
corrió
wij renden
corrimos
jullie renden
corristeis
zij renden
corrieron
ik zal rennen
correré
jij zal rennen
correrás
hij/zij/u zal rennen
correrá
wij zullen rennen
correremos
jullie zullen rennen
correréis
zij zullen rennen
correrán
ik ben aan het rennen
estoy corriendo
jij bent aan het rennen
estás corriendo
hij/zij/u is aan het rennen
está corriendo
wij zijn aan het rennen
estamos corriendo
jullie zijn aan het rennen
estáis corriendo
zij zijn aan het rennen
están corriendo
ik heb gerend
he corrido
jij hebt gerend
has corrido
hij/zij/u heeft gerend
ha corrido
wij hebben gerend
hemos corrido
jullie hebben gerend
habéis corrido
zij hebben gerend
han corrido
ik geloof
creo
jij gelooft
crees
hij/zij/u gelooft
cree
wij geloven
creemos
jullie geloven
creéis
zij geloven
creen
ik geloofde
creí
jij geloofde
creíste
hij/zij/u geloofde
creyó
wij geloofden
creímos
jullie geloofden
creísteis
zij geloofden
creyeron
ik zal geloven
creeré
jij zal geloven
creerás
hij/zij/u zal geloven
creerá
wij zullen geloven
creeremos
jullie zullen geloven
creeréis
zij zullen geloven
creerán
ik ben aan het geloven
estoy creyendo
jij bent aan het geloven
estás creyendo
hij/zij/u is aan het geloven
está creyendo
wij zijn aan het geloven
estamos creyendo
jullie zijn aan het geloven
estáis creyendo
zij zijn aan het geloven
están creyendo
ik heb geloofd
he creído
jij hebt geloofd
has creído
hij/zij/u heeft geloofd
ha creído
wij hebben geloofd
hemos creído
jullie hebben geloofd
habéis creído
zij hebben geloofd
han creído
ik beloof
prometo
jij belooft
prometes
hij/zij/u belooft
promete
wij beloven
prometemos
jullie beloven
prometéis
zij beloven
prometen
ik beloofde
prometí
jij beloofde
prometiste
hij/zij/u beloofde
prometió
wij beloofden
prometimos
jullie beloofden
prometisteis
zij beloofden
prometieron
ik zal beloven
prometeré
jij zal beloven
prometerás
hij/zij/u zal beloven
prometerá
wij zullen beloven
prometeremos
jullie zullen beloven
prometeréis
zij zullen beloven
prometerán
ik ben aan het beloven
estoy prometiendo
jij bent aan het beloven
estás prometiendo
hij/zij/u is aan het beloven
está prometiendo
wij zijn aan het beloven
estamos prometiendo
jullie zijn aan het beloven
estáis prometiendo
zij zijn aan het beloven
están prometiendo
ik heb beloofd
he prometido
jij hebt beloofd
has prometido
hij/zij/u heeft beloofd
ha prometido
wij hebben beloofd
hemos prometido
jullie hebben beloofd
habéis prometido
zij hebben beloofd
han prometido
ik verkoop
vendo
jij verkoopt
vendes
hij/zij/u verkoopt
vende
wij verkopen
vendemos
jullie verkopen
vendéis
zij verkopen
venden
ik verkocht
vendí
jij verkocht
vendiste
hij/zij/u verkocht
vendió
wij verkochten
vendimos
jullie verkochten
vendisteis
zij verkochten
vendieron
ik zal verkopen
venderé
jij zal verkopen
venderás
hij/zij/u zal verkopen
venderá
wij zullen verkopen
venderemos
jullie zullen verkopen
venderéis
zij zullen verkopen
venderán
ik ben aan het verkopen
estoy vendiendo
jij bent aan het verkopen
estás vendiendo
hij/zij/u is aan het verkopen
está vendiendo
wij zijn aan het verkopen
estamos vendiendo
jullie zijn aan het verkopen
estáis vendiendo
zij zijn aan het verkopen
están vendiendo
ik heb verkocht
he vendido
jij hebt verkocht
has vendido
hij/zij/u heeft verkocht
ha vendido
wij hebben verkocht
hemos vendido
jullie hebben verkocht
habéis vendido
zij hebben verkocht
han vendido
ik drink
bebo
jij drinkt
bebes
hij/zij/u drinkt
bebe
wij drinken
bebemos
jullie drinken
bebéis
zij drinken
beben
ik dronk
bebí
jij dronk
bebiste
hij/zij/u dronk
bebió
wij dronken
bebimos
jullie dronken
bebisteis
zij dronken
bebieron
ik zal drinken
beberé
jij zal drinken
beberás
hij/zij/u zal drinken
beberá
wij zullen drinken
beberemos
jullie zullen drinken
beberéis
zij zullen drinken
beberán
ik ben aan het drinken
estoy bebiendo
jij bent aan het drinken
estás bebiendo
hij/zij/u is aan het drinken
está bebiendo
wij zijn aan het drinken
estamos bebiendo
jullie zijn aan het drinken
estáis bebiendo
zij zijn aan het drinken
están bebiendo
ik heb gedronken
he bebido
jij hebt gedronken
has bebido
hij/zij/u heeft gedronken
ha bebido
wij hebben gedronken
hemos bebido
jullie hebben gedronken
habéis bebido
zij hebben gedronken
han bebido
ik doe open
abro
jij doet open
abres
hij/zij/u doet open
abre
wij open doen
abrimos
jullie open doen
abrís
zij open doen
abren
ik deed open
abrí
jij deed open
abriste
hij/zij/u deed open
abrió
wij deden open
abrimos
jullie deden open
abristeis
zij deden open
abrieron
ik zal open doen
abriré
jij zal open doen
abrirás
hij/zij/u zal open doen
abrirá
wij zullen open doen
abriremos
jullie zullen open doen
abriréis
zij zullen open doen
abrirán
ik ben aan het open doen
estoy abriendo
jij bent aan het open doen
estás abriendo
hij/zij/u is aan het open doen
está abriendo
wij zijn aan het open doen
estamos abriendo
jullie zijn aan het open doen
estáis abriendo
zij zijn aan het open doen
están abriendo
ik heb open gedaan
he abierto
jij hebt open gedaan
has abierto
hij/zij/u heeft open gedaan
ha abierto
wij hebben open gedaan
hemos abierto
jullie hebben open gedaan
habéis abierto
zij hebben open gedaan
han abierto
ik ontvang
recibo
jij ontvangt
recibes
hij/zij/u ontvangt
recibe
wij ontvangen
recibimos
jullie ontvangen
recibís
zij ontvangen
reciben
ik ontving
recibí
jij ontving
recibiste
hij/zij/u ontving
recibió
wij ontvingen
recibimos
jullie ontvingen
recibisteis
zij ontvingen
recibieron
ik zal ontvangen
recibiré
jij zal ontvangen
recibirás
hij/zij/u zal ontvangen
recibirá
wij zullen ontvangen
recibiremos
jullie zullen ontvangen
recibiréis
zij zullen ontvangen
recibirán
ik ben aan het ontvangen
estoy recibiendo
jij bent aan het ontvangen
estás recibiendo
hij/zij/u is aan het ontvangen
está recibiendo
wij zijn aan het ontvangen
estamos recibiendo
jullie zijn aan het ontvangen
estáis recibiendo
zij zijn aan het ontvangen
están recibiendo
ik heb ontvangen
he recibido
jij hebt ontvangen
has recibido
hij/zij/u heeft ontvangen
ha recibido
wij hebben ontvangen
hemos recibido
jullie hebben ontvangen
habéis recibido
zij hebben ontvangen
han recibido
ik stijg
subo
jij stijgt
subes
hij/zij/u stijgt
sube
wij stijgen
subimos
jullie stijgen
subís
zij stijgen
suben
ik steeg
subí
jij steeg
subiste
hij/zij/u steeg
subió
wij stegen
subimos
jullie stegen
subisteis
zij stegen
subieron
ik zal stijgen
subiré
jij zal stijgen
subirás
hij/zij/u zal stijgen
subirá
wij zullen stijgen
subiremos
jullie zullen stijgen
subiréis
zij zullen stijgen
subirán
ik ben aan het stijgen
estoy subiendo
jij bent aan het stijgen
estás subiendo
hij/zij/u is aan het stijgen
está subiendo
wij zijn aan het stijgen
estamos subiendo
jullie zijn aan het stijgen
estáis subiendo
zij zijn aan het stijgen
están subiendo
ik ben gestegen
he subido
jij bent gestegen
has subido
hij/zij/u is gestegen
ha subido
wij zijn gestegen
hemos subido
jullie zijn gestegen
habéis subido
zij zijn gestegen
han subido
ik daal
bajo
jij daalt
bajas
hij/zij/u daalt
baja
wij dalen
bajamos
jullie dalen
bajáis
zij dalen
bajan
ik daalde
bajé
jij daalde
bajaste
hij/zij/u daalde
bajó
wij daalden
bajamos
jullie daalden
bajasteis
zij daalden
bajaron
ik zal dalen
bajaré
jij zal dalen
bajarás
hij/zij/u zal dalen
bajará
wij zullen dalen
bajaremos
jullie zullen dalen
bajaréis
zij zullen dalen
bajarán
ik ben aan het dalen
estoy bajando
jij bent aan het dalen
estás bajando
hij/zij/u is aan het dalen
está bajando
wij zijn aan het dalen
estamos bajando
jullie zijn aan het dalen
estáis bajando
zij zijn aan het dalen
están bajando
ik ben gedaald
he bajado
jij bent gedaald
has bajado
hij/zij/u is gedaald
ha bajado
wij zijn gedaald
hemos bajado
jullie zijn gedaald
habéis bajado
zij zijn gedaald
han bajado
ik wil
quiero
jij wilt
quieres
hij/zij/u wilt
quiere
wij willen
queremos
jullie willen
queréis
zij willen
quieren
ik wilde
quise
jij wilde
quisiste
hij/zij/u wilde
quiso
wij wilden
quisimos
jullie wilden
quisisteis
zij wilden
quisieron
ik zal willen
querré
jij zal willen
querrás
hij/zij/u zal willen
querrá
wij zullen willen
querremos
jullie zullen willen
querréis
zij zullen willen
querrán
ik ben aan het willen
estoy queriendo
jij bent aan het willen
estás queriendo
hij/zij/u is aan het willen
está queriendo
wij zijn aan het willen
estamos queriendo
jullie zijn aan het willen
estáis queriendo
zij zijn aan het willen
están queriendo
ik heb gewild
he querido
jij hebt gewild
has querido
hij/zij/u heeft gewild
ha querido
wij hebben gewild
hemos querido
jullie hebben gewild
habéis querido
zij hebben gewild
han querido
ik hou van
quiero
jij houdt van
quieres
hij/zij/u houdt van
quiere
wij houden van
queremos
jullie houden van
queréis
zij houden van
quieren
ik hield van
quise
jij hield van
quisiste
hij/zij/u hield van
quiso
wij hielden van
quisimos
jullie hielden van
quisisteis
zij hielden van
quisieron
ik zal houden van
querré
jij zal houden van
querrás
hij/zij/u zal houden van
querrá
wij zullen houden van
querremos
jullie zullen houden van
querréis
zij zullen houden van
querrán
ik ben aan het houden van
estoy queriendo
jij bent aan het houden van
estás queriendo
hij/zij/u is aan het houden van
está queriendo
wij zijn aan het houden van
estamos queriendo
jullie zijn aan het houden van
estáis queriendo
zij zijn aan het houden van
están queriendo
ik heb gehouden van
he querido
jij hebt gehouden van
has querido
hij/zij/u heeft gehouden van
ha querido
wij hebben gehouden van
hemos querido
jullie hebben gehouden van
habéis querido
zij hebben gehouden van
han querido
ik speel
juego
jij speelt
juegas
hij/zij/u speelt
juega
wij spelen
jugamos
jullie spelen
jugáis
zij spelen
juegan
ik speelde
jugué
jij speelde
jugaste
hij/zij/u speelde
jugó
wij speelden
jugamos
jullie speelden
jugasteis
zij speelden
jugaron
ik zal spelen
jugaré
jij zal spelen
jugarás
hij/zij/u zal spelen
jugará
wij zullen spelen
jugaremos
jullie zullen spelen
jugaréis
zij zullen spelen
jugarán
ik ben aan het spelen
estoy jugando
jij bent aan het spelen
estás jugando
hij/zij/u is aan het spelen
está jugando
wij zijn aan het spelen
estamos jugando
jullie zijn aan het spelen
estáis jugando
zij zijn aan het spelen
están jugando
ik heb gespeeld
he jugado
jij hebt gespeeld
has jugado
hij/zij/u heeft gespeeld
ha jugado
wij hebben gespeeld
hemos jugado
jullie hebben gespeeld
habéis jugado
zij hebben gespeeld
han jugado
ik doe gewoonlijk
suelo
jij doet gewoonlijk
sueles
hij/zij/u doet gewoonlijk
suele
wij doen gewoonlijk
solemos
jullie doen gewoonlijk
soléis
zij doen gewoonlijk
suelen
ik deed gewoonlijk
solí
jij deed gewoonlijk
soliste
hij/zij/u deed gewoonlijk
solió
wij deden gewoonlijk
solimos
jullie deden gewoonlijk
solisteis
zij deden gewoonlijk
solieron
ik zal gewoonlijk doen
soleré
jij zal gewoonlijk doen
solerás
hij/zij/u zal gewoonlijk doen
solerá
wij zullen gewoonlijk doen
soleremos
jullie zullen gewoonlijk doen
soleréis
zij zullen gewoonlijk doen
solerán
ik ben aan het gewoonlijk doen
estoy soliendo
jij bent aan het gewoonlijk doen
estás soliendo
hij/zij/u is aan het gewoonlijk doen
está soliendo
wij zijn aan het gewoonlijk doen
estamos soliendo
jullie zijn aan het gewoonlijk doen
estáis soliendo
zij zijn aan het gewoonlijk doen
están soliendo
ik heb gewoonlijk gedaan
he solido
jij hebt gewoonlijk gedaan
has solido
hij/zij/u heeft gewoonlijk gedaan
ha solido
wij hebben gewoonlijk gedaan
hemos solido
jullie hebben gewoonlijk gedaan
habéis solido
zij hebben gewoonlijk gedaan
han solido
ik kijk
miro
jij kijkt
miras
hij/zij/u kijkt
mira
wij kijken
miramos
jullie kijken
miráis
zij kijken
miran
ik keek
miré
jij keek
miraste
hij/zij/u keek
miró
wij keken
miramos
jullie keken
mirasteis
zij keken
miraron
ik zal kijken
miraré
jij zal kijken
mirarás
hij/zij/u zal kijken
mirará
wij zullen kijken
miraremos
jullie zullen kijken
miraréis
zij zullen kijken
mirarán
ik ben aan het kijken
estoy mirando
jij bent aan het kijken
estás mirando
hij/zij/u is aan het kijken
está mirando
wij zijn aan het kijken
estamos mirando
jullie zijn aan het kijken
estáis mirando
zij zijn aan het kijken
están mirando
ik heb gekeken
he mirado
jij hebt gekeken
has mirado
hij/zij/u heeft gekeken
ha mirado
wij hebben gekeken
hemos mirado
jullie hebben gekeken
habéis mirado
zij hebben gekeken
han mirado
ik kook
cocino
jij kookt
cocinas
hij/zij/u kookt
cocina
wij koken
cocinamos
jullie koken
cocináis
zij koken
cocinan
ik kookte
cociné
jij kookte
cocinaste
hij/zij/u kookte
cocinó
wij kookten
cocinamos
jullie kookten
cocinasteis
zij kookten
cocinaron
ik zal koken
cocinaré
jij zal koken
cocinarás
hij/zij/u zal koken
cocinará
wij zullen koken
cocinaremos
jullie zullen koken
cocinaréis
zij zullen koken
cocinarán
ik ben aan het koken
estoy cocinando
jij bent aan het koken
estás cocinando
hij/zij/u is aan het koken
está cocinando
wij zijn aan het koken
estamos cocinando
jullie zijn aan het koken
estáis cocinando
zij zijn aan het koken
están cocinando
ik heb gekookt
he cocinado
jij hebt gekookt
has cocinado
hij/zij/u heeft gekookt
ha cocinado
wij hebben gekookt
hemos cocinado
jullie hebben gekookt
habéis cocinado
zij hebben gekookt
han cocinado
ik kom aan
llego
jij komt aan
llegas
hij/zij/u komt aan
llega
wij komen aan
llegamos
jullie komen aan
llegáis
zij komen aan
llegan
ik kwam aan
llegué
jij kwam aan
llegaste
hij/zij/u kwam aan
llegó
wij kwamen aan
llegamos
jullie kwamen aan
llegasteis
zij kwamen aan
llegaron
ik zal aankomen
llegaré
jij zal aankomen
llegarás
hij/zij/u zal aankomen
llegará
wij zullen aankomen
llegaremos
jullie zullen aankomen
llegaréis
zij zullen aankomen
llegarán
ik ben aan het aankomen
estoy llegando
jij bent aan het aankomen
estás llegando
hij/zij/u is aan het aankomen
está llegando
wij zijn aan het aankomen
estamos llegando
jullie zijn aan het aankomen
estáis llegando
zij zijn aan het aankomen
están llegando
ik ben aangekomen
he llegado
jij bent aangekomen
has llegado
hij/zij/u is aangekomen
ha llegado
wij zijn aangekomen
hemos llegado
jullie zijn aangekomen
habéis llegado
zij zijn aangekomen
han llegado
ik vergeet
olvido
jij vergeet
olvidas
hij/zij/u vergeet
olvida
wij vergeten
olvidamos
jullie vergeten
olvidáis
zij vergeten
olvidan
ik vergat
olvidé
jij vergat
olvidaste
hij/zij/u vergat
olvidó
wij vergaten
olvidamos
jullie vergaten
olvidasteis
zij vergaten
olvidaron
ik zal vergeten
olvidaré
jij zal vergeten
olvidarás
hij/zij/u zal vergeten
olvidará
wij zullen vergeten
olvidaremos
jullie zullen vergeten
olvidaréis
zij zullen vergeten
olvidarán
ik ben aan het vergeten
estoy olvidando
jij bent aan het vergeten
estás olvidando
hij/zij/u is aan het vergeten
está olvidando
wij zijn aan het vergeten
estamos olvidando
jullie zijn aan het vergeten
estáis olvidando
zij zijn aan het vergeten
están olvidando
ik ben vergeten
he olvidado
jij bent vergeten
has olvidado
hij/zij/u is vergeten
ha olvidado
wij zijn vergeten
hemos olvidado
jullie zijn vergeten
habéis olvidado
zij zijn vergeten
han olvidado
ik stuur
mando
jij stuurt
mandas
hij/zij/u stuurt
manda
wij sturen
mandamos
jullie sturen
mandáis
zij sturen
mandan
ik stuurde
mandé
jij stuurde
mandaste
hij/zij/u stuurde
mandó
wij stuurden
mandamos
jullie stuurden
mandasteis
zij stuurden
mandaron
ik zal sturen
mandaré
jij zal sturen
mandarás
hij/zij/u zal sturen
mandará
wij zullen sturen
mandaremos
jullie zullen sturen
mandaréis
zij zullen sturen
mandarán
ik ben aan het sturen
estoy mandando
jij bent aan het sturen
estás mandando
hij/zij/u is aan het sturen
está mandando
wij zijn aan het sturen
estamos mandando
jullie zijn aan het sturen
estáis mandando
zij zijn aan het sturen
están mandando
ik heb gestuurd
he mandado
jij hebt gestuurd
has mandado
hij/zij/u heeft gestuurd
ha mandado
wij hebben gestuurd
hemos mandado
jullie hebben gestuurd
habéis mandado
zij hebben gestuurd
han mandado
ik leid
mando
jij leidt
mandas
hij/zij/u leidt
manda
wij leiden
mandamos
jullie leiden
mandáis
zij leiden
mandan
ik leidde
mandé
jij leidde
mandaste
hij/zij/u leidde
mandó
wij leidden
mandamos
jullie leidden
mandasteis
zij leidden
mandaron
ik zal leiden
mandaré
jij zal leiden
mandarás
hij/zij/u zal leiden
mandará
wij zullen leiden
mandaremos
jullie zullen leiden
mandaréis
zij zullen leiden
mandarán
ik ben aan het leiden
estoy mandando
jij bent aan het leiden
estás mandando
hij/zij/u is aan het leiden
está mandando
wij zijn aan het leiden
estamos mandando
jullie zijn aan het leiden
estáis mandando
zij zijn aan het leiden
están mandando
ik heb geleid
he mandado
jij hebt geleid
has mandado
hij/zij/u heeft geleid
ha mandado
wij hebben geleid
hemos mandado
jullie hebben geleid
habéis mandado
zij hebben geleid
han mandado
ik reserveer
reservo
jij reserveert
reservas
hij/zij/u reserveert
reserva
wij reserveren
reservamos
jullie reserveren
reserváis
zij reserveren
reservan
ik reserveerde
reservé
jij reserveerde
reservaste
hij/zij/u reserveerde
reservó
wij reserveerden
reservamos
jullie reserveerden
reservasteis
zij reserveerden
reservaron
ik zal reserveren
reservaré
jij zal reserveren
reservarás
hij/zij/u zal reserveren
reservará
wij zullen reserveren
reservaremos
jullie zullen reserveren
reservaréis
zij zullen reserveren
reservarán
ik ben aan het reserveren
estoy reservando
jij bent aan het reserveren
estás reservando
hij/zij/u is aan het reserveren
está reservando
wij zijn aan het reserveren
estamos reservando
jullie zijn aan het reserveren
estáis reservando
zij zijn aan het reserveren
están reservando
ik heb gereserveerd
he reservado
jij hebt gereserveerd
has reservado
hij/zij/u heeft gereserveerd
ha reservado
wij hebben gereserveerd
hemos reservado
jullie hebben gereserveerd
habéis reservado
zij hebben gereserveerd
han reservado
ik geef
doy
jij geeft
das
hij/zij/u geeft
da
wij geven
damos
jullie geven
dais
zij geven
dan
ik gaf
di
jij gaf
diste
hij/zij/u gaf
dio
wij gaven
dimos
jullie gaven
disteis
zij gaven
dieron
ik zal geven
daré
jij zal geven
darás
hij/zij/u zal geven
dará
wij zullen geven
daremos
jullie zullen geven
daréis
zij zullen geven
darán
ik ben aan het geven
estoy dando
jij bent aan het geven
estás dando
hij/zij/u is aan het geven
está dando
wij zijn aan het geven
estamos dando
jullie zijn aan het geven
estáis dando
zij zijn aan het geven
están dando
ik heb gegeven
he dado
jij hebt gegeven
has dado
hij/zij/u heeft gegeven
ha dado
wij hebben gegeven
hemos dado
jullie hebben gegeven
habéis dado
zij hebben gegeven
han dado
ik probeer
intento
jij probeert
intentas
hij/zij/u probeert
intenta
wij proberen
intentamos
jullie proberen
intentáis
zij proberen
intentan
ik probeerde
intenté
jij probeerde
intentaste
hij/zij/u probeerde
intentó
wij probeerden
intentamos
jullie probeerden
intentasteis
zij probeerden
intentaron
ik zal proberen
intentaré
jij zal proberen
intentarás
hij/zij/u zal proberen
intentará
wij zullen proberen
intentaremos
jullie zullen proberen
intentaréis
zij zullen proberen
intentarán
ik ben aan het proberen
estoy intentando
jij bent aan het proberen
estás intentando
hij/zij/u is aan het proberen
está intentando
wij zijn aan het proberen
estamos intentando
jullie zijn aan het proberen
estáis intentando
zij zijn aan het proberen
están intentando
ik heb geprobeerd
he intentado
jij hebt geprobeerd
has intentado
hij/zij/u heeft geprobeerd
ha intentado
wij hebben geprobeerd
hemos intentado
jullie hebben geprobeerd
habéis intentado
zij hebben geprobeerd
han intentado
ik steel
robo
jij steelt
robas
hij/zij/u steelt
roba
wij stelen
robamos
jullie stelen
robáis
zij stelen
roban
ik steelde
robé
jij steelde
robaste
hij/zij/u steelde
robó
wij steelden
robamos
jullie steelden
robasteis
zij steelden
robaron
ik zal stelen
robaré
jij zal stelen
robarás
hij/zij/u zal stelen
robará
wij zullen stelen
robaremos
jullie zullen stelen
robaréis
zij zullen stelen
robarán
ik ben aan het stelen
estoy robando
jij bent aan het stelen
estás robando
hij/zij/u is aan het stelen
está robando
wij zijn aan het stelen
estamos robando
jullie zijn aan het stelen
estáis robando
zij zijn aan het stelen
están robando
ik heb gestolen
he robado
jij hebt gestolen
has robado
hij/zij/u heeft gestolen
ha robado
wij hebben gestolen
hemos robado
jullie hebben gestolen
habéis robado
zij hebben gestolen
han robado
ik huur
alquilo
jij huurt
alquilas
hij/zij/u huurt
alquila
wij huren
alquilamos
jullie huren
alquiláis
zij huren
alquilan
ik huurde
alquilé
jij huurde
alquilaste
hij/zij/u huurde
alquiló
wij huurden
alquilamos
jullie huurden
alquilasteis
zij huurden
alquilaron
ik zal huren
alquilaré
jij zal huren
alquilarás
hij/zij/u zal huren
alquilará
wij zullen huren
alquilaremos
jullie zullen huren
alquilaréis
zij zullen huren
alquilarán
ik ben aan het huren
estoy alquilando
jij bent aan het huren
estás alquilando
hij/zij/u is aan het huren
está alquilando
wij zijn aan het huren
estamos alquilando
jullie zijn aan het huren
estáis alquilando
zij zijn aan het huren
están alquilando
ik heb gehuurd
he alquilado
jij hebt gehuurd
has alquilado
hij/zij/u heeft gehuurd
ha alquilado
wij hebben gehuurd
hemos alquilado
jullie hebben gehuurd
habéis alquilado
zij hebben gehuurd
han alquilado
ik maak kapot
rompo
jij maakt kapot
rompes
hij/zij/u maakt kapot
rompe
wij maken kapot
rompemos
jullie maken kapot
rompéis
zij maken kapot
rompen
ik maakte kapot
rompí
jij maakte kapot
rompiste
hij/zij/u maakte kapot
rompió
wij maakten kapot
rompimos
jullie maakten kapot
rompisteis
zij maakten kapot
rompieron
ik zal kapot maken
romperé
jij zal kapot maken
romperás
hij/zij/u zal kapot maken
romperá
wij zullen kapot maken
romperemos
jullie zullen kapot maken
romperéis
zij zullen kapot maken
romperán
ik ben aan het kapot maken
estoy rompiendo
jij bent aan het kapot maken
estás rompiendo
hij/zij/u is aan het kapot maken
está rompiendo
wij zijn aan het kapot maken
estamos rompiendo
jullie zijn aan het kapot maken
estáis rompiendo
zij zijn aan het kapot maken
están rompiendo
ik heb kapot gemaakt
he roto
jij hebt kapot gemaakt
has roto
hij/zij/u heeft kapot gemaakt
ha roto
wij hebben kapot gemaakt
hemos roto
jullie hebben kapot gemaakt
habéis roto
zij hebben kapot gemaakt
han roto
ik breek
rompo
jij breekt
rompes
hij/zij/u breekt
rompe
wij breken
rompemos
jullie breken
rompéis
zij breken
rompen
ik brak
rompí
jij brak
rompiste
hij/zij/u brak
rompió
wij braken
rompimos
jullie braken
rompisteis
zij braken
rompieron
ik zal breken
romperé
jij zal breken
romperás
hij/zij/u zal breken
romperá
wij zullen breken
romperemos
jullie zullen breken
romperéis
zij zullen breken
romperán
ik ben aan het breken
estoy rompiendo
jij bent aan het breken
estás rompiendo
hij/zij/u is aan het breken
está rompiendo
wij zijn aan het breken
estamos rompiendo
jullie zijn aan het breken
estáis rompiendo
zij zijn aan het breken
están rompiendo
ik heb gebroken
he roto
jij hebt gebroken
has roto
hij/zij/u heeft gebroken
ha roto
wij hebben gebroken
hemos roto
jullie hebben gebroken
habéis roto
zij hebben gebroken
han roto
ik neem (een afslag)
cojo
jij neemt (een afslag)
coges
hij/zij/u neemt (een afslag)
coge
wij nemen (een afslag)
cogemos
jullie nemen (een afslag)
cogéis
zij nemen (een afslag)
cogen
ik nam (een afslag)
cogí
jij nam (een afslag)
cogiste
hij/zij/u nam (een afslag)
cogió
wij namen (een afslag)
cogimos
jullie namen (een afslag)
cogisteis
zij namen (een afslag)
cogieron
ik zal nemen (een afslag)
cogeré
jij zal nemen (een afslag)
cogerás
hij/zij/u zal nemen (een afslag)
cogerá
wij zullen nemen (een afslag)
cogeremos
jullie zullen nemen (een afslag)
cogeréis
zij zullen nemen (een afslag)
cogerán
ik ben aan het nemen (een afslag)
estoy cogiendo
jij bent aan het nemen (een afslag)
estás cogiendo
hij/zij/u is aan het nemen (een afslag)
está cogiendo
wij zijn aan het nemen (een afslag)
estamos cogiendo
jullie zijn aan het nemen (een afslag)
estáis cogiendo
zij zijn aan het nemen (een afslag)
están cogiendo
ik heb genomen (een afslag)
he cogido
jij hebt genomen (een afslag)
has cogido
hij/zij/u heeft genomen (een afslag)
ha cogido
wij hebben genomen (een afslag)
hemos cogido
jullie hebben genomen (een afslag)
habéis cogido
zij hebben genomen (een afslag)
han cogido
ik sla af
giro
jij slaat af
giras
hij/zij/u slaat af
gira
wij slaan af
giramos
jullie slaan af
giráis
zij slaan af
giran
ik sloeg af
giré
jij sloeg af
giraste
hij/zij/u sloeg af
giró
wij sloegen af
giramos
jullie sloegen af
girasteis
zij sloegen af
giraron
ik zal afslaan
giraré
jij zal afslaan
girarás
hij/zij/u zal afslaan
girará
wij zullen afslaan
giraremos
jullie zullen afslaan
giraréis
zij zullen afslaan
girarán
ik ben aan het afslaan
estoy girando
jij bent aan het afslaan
estás girando
hij/zij/u is aan het afslaan
está girando
wij zijn aan het afslaan
estamos girando
jullie zijn aan het afslaan
estáis girando
zij zijn aan het afslaan
están girando
ik ben afgeslaan
he girado
jij bent afgeslaan
has girado
hij/zij/u is afgeslaan
ha girado
wij zijn afgeslaan
hemos girado
jullie zijn afgeslaan
habéis girado
zij zijn afgeslaan
han girado
ik draai
giro
jij draait
giras
hij/zij/u draait
gira
wij draaien
giramos
jullie draaien
giráis
zij draaien
giran
ik draaide
giré
jij draaide
giraste
hij/zij/u draaide
giró
wij draaiden
giramos
jullie draaiden
girasteis
zij draaiden
giraron
ik zal draaien
giraré
jij zal draaien
girarás
hij/zij/u zal draaien
girará
wij zullen draaien
giraremos
jullie zullen draaien
giraréis
zij zullen draaien
girarán
ik ben aan het draaien
estoy girando
jij bent aan het draaien
estás girando
hij/zij/u is aan het draaien
está girando
wij zijn aan het draaien
estamos girando
jullie zijn aan het draaien
estáis girando
zij zijn aan het draaien
están girando
ik ben gedraaid
he girado
jij bent gedraaid
has girado
hij/zij/u is gedraaid
ha girado
wij zijn gedraaid
hemos girado
jullie zijn gedraaid
habéis girado
zij zijn gedraaid
han girado
ik passeer
paso
jij passeert
pasas
hij/zij/u passeert
pasa
wij passeren
pasamos
jullie passeren
pasáis
zij passeren
pasan
ik passeerde
pasé
jij passeerde
pasaste
hij/zij/u passeerde
pasó
wij passeerden
pasamos
jullie passeerden
pasasteis
zij passeerden
pasaron
ik zal passeren
pasaré
jij zal passeren
pasarás
hij/zij/u zal passeren
pasará
wij zullen passeren
pasaremos
jullie zullen passeren
pasaréis
zij zullen passeren
pasarán
ik ben aan het passeren
estoy pasando
jij bent aan het passeren
estás pasando
hij/zij/u is aan het passeren
está pasando
wij zijn aan het passeren
estamos pasando
jullie zijn aan het passeren
estáis pasando
zij zijn aan het passeren
están pasando
ik ben gepasseerd
he pasado
jij bent gepasseerd
has pasado
hij/zij/u is gepasseerd
ha pasado
wij zijn gepasseerd
hemos pasado
jullie zijn gepasseerd
habéis pasado
zij zijn gepasseerd
han pasado
ik volg
sigo
jij volgt
sigues
hij/zij/u volgt
sigue
wij volgen
seguimos
jullie volgen
seguís
zij volgen
siguen
ik volgde
seguí
jij volgde
seguiste
hij/zij/u volgde
siguió
wij volgden
seguimos
jullie volgden
seguisteis
zij volgden
siguieron
ik zal volgen
seguiré
jij zal volgen
seguirás
hij/zij/u zal volgen
seguirá
wij zullen volgen
seguiremos
jullie zullen volgen
seguiréis
zij zullen volgen
seguirán
ik ben aan het volgen
estoy siguiendo
jij bent aan het volgen
estás siguiendo
hij/zij/u is aan het volgen
está siguiendo
wij zijn aan het volgen
estamos siguiendo
jullie zijn aan het volgen
estáis siguiendo
zij zijn aan het volgen
están siguiendo
ik heb gevolgd
he seguido
jij hebt gevolgd
has seguido
hij/zij/u heeft gevolgd
ha seguido
wij hebben gevolgd
hemos seguido
jullie hebben gevolgd
habéis seguido
zij hebben gevolgd
han seguido
ik ga door
sigo
jij gaat door
sigues
hij/zij/u gaat door
sigue
wij gaan door
seguimos
jullie gaan door
seguís
zij gaan door
siguen
ik ging door
seguí
jij ging door
seguiste
hij/zij/u ging door
siguió
wij gingen door
seguimos
jullie gingen door
seguisteis
zij gingen door
siguieron
ik zal doorgaan
seguiré
jij zal doorgaan
seguirás
hij/zij/u zal doorgaan
seguirá
wij zullen doorgaan
seguiremos
jullie zullen doorgaan
seguiréis
zij zullen doorgaan
seguirán
ik ben aan het doorgaan
estoy siguiendo
jij bent aan het doorgaan
estás siguiendo
hij/zij/u is aan het doorgaan
está siguiendo
wij zijn aan het doorgaan
estamos siguiendo
jullie zijn aan het doorgaan
estáis siguiendo
zij zijn aan het doorgaan
están siguiendo
ik ben doorgegaan
he seguido
jij bent doorgegaan
has seguido
hij/zij/u is doorgegaan
ha seguido
wij zijn doorgegaan
hemos seguido
jullie zijn doorgegaan
habéis seguido
zij zijn doorgegaan
han seguido
ik denk
pienso
jij denkt
piensas
hij/zij/u denkt
piensa
wij denken
pensamos
jullie denken
pensáis
zij denken
piensan
ik dacht
pensé
jij dacht
pensaste
hij/zij/u dacht
pensó
wij dachten
pensamos
jullie dachten
pensasteis
zij dachten
pensaron
ik zal denken
pensaré
jij zal denken
pensarás
hij/zij/u zal denken
pensará
wij zullen denken
pensaremos
jullie zullen denken
pensaréis
zij zullen denken
pensarán
ik ben aan het denken
estoy pensando
jij bent aan het denken
estás pensando
hij/zij/u is aan het denken
está pensando
wij zijn aan het denken
estamos pensando
jullie zijn aan het denken
estáis pensando
zij zijn aan het denken
están pensando
ik heb gedacht
he pensado
jij hebt gedacht
has pensado
hij/zij/u heeft gedacht
ha pensado
wij hebben gedacht
hemos pensado
jullie hebben gedacht
habéis pensado
zij hebben gedacht
han pensado
ik reken
cuento
jij rekent
cuentas
hij/zij/u rekent
cuenta
wij rekenen
contamos
jullie rekenen
contáis
zij rekenen
cuentan
ik rekende
conté
jij rekende
contaste
hij/zij/u rekende
contó
wij rekenden
contamos
jullie rekenden
contasteis
zij rekenden
contaron
ik zal rekenen
contaré
jij zal rekenen
contarás
hij/zij/u zal rekenen
contará
wij zullen rekenen
contaremos
jullie zullen rekenen
contaréis
zij zullen rekenen
contarán
ik ben aan het rekenen
estoy contando
jij bent aan het rekenen
estás contando
hij/zij/u is aan het rekenen
está contando
wij zijn aan het rekenen
estamos contando
jullie zijn aan het rekenen
estáis contando
zij zijn aan het rekenen
están contando
ik heb gerekend
he contado
jij hebt gerekend
has contado
hij/zij/u heeft gerekend
ha contado
wij hebben gerekend
hemos contado
jullie hebben gerekend
habéis contado
zij hebben gerekend
han contado
ik vertel
cuento
jij vertelt
cuentas
hij/zij/u vertelt
cuenta
wij vertellen
contamos
jullie vertellen
contáis
zij vertellen
cuentan
ik vertelde
conté
jij vertelde
contaste
hij/zij/u vertelde
contó
wij vertelden
contamos
jullie vertelden
contasteis
zij vertelden
contaron
ik zal vertellen
contaré
jij zal vertellen
contarás
hij/zij/u zal vertellen
contará
wij zullen vertellen
contaremos
jullie zullen vertellen
contaréis
zij zullen vertellen
contarán
ik ben aan het vertellen
estoy contando
jij bent aan het vertellen
estás contando
hij/zij/u is aan het vertellen
está contando
wij zijn aan het vertellen
estamos contando
jullie zijn aan het vertellen
estáis contando
zij zijn aan het vertellen
están contando
ik heb verteld
he contado
jij hebt verteld
has contado
hij/zij/u heeft verteld
ha contado
wij hebben verteld
hemos contado
jullie hebben verteld
habéis contado
zij hebben verteld
han contado
ik bestel
pido
jij bestelt
pides
hij/zij/u bestelt
pide
wij bestellen
pedimos
jullie bestellen
pedís
zij bestellen
piden
ik bestelde
pedí
jij bestelde
pediste
hij/zij/u bestelde
pidió
wij bestelden
pedimos
jullie bestelden
pedisteis
zij bestelden
pidieron
ik zal bestellen
pediré
jij zal bestellen
pedirás
hij/zij/u zal bestellen
pedirá
wij zullen bestellen
pediremos
jullie zullen bestellen
pediréis
zij zullen bestellen
pedirán
ik ben aan het bestellen
estoy pidiendo
jij bent aan het bestellen
estás pidiendo
hij/zij/u is aan het bestellen
está pidiendo
wij zijn aan het bestellen
estamos pidiendo
jullie zijn aan het bestellen
estáis pidiendo
zij zijn aan het bestellen
están pidiendo
ik heb besteld
he pedido
jij hebt besteld
has pedido
hij/zij/u heeft besteld
ha pedido
wij hebben besteld
hemos pedido
jullie hebben besteld
habéis pedido
zij hebben besteld
han pedido
ik verzoek
pido
jij verzoekt
pides
hij/zij/u verzoekt
pide
wij verzoeken
pedimos
jullie verzoeken
pedís
zij verzoeken
piden
ik verzocht
pedí
jij verzocht
pediste
hij/zij/u verzocht
pidió
wij verzochten
pedimos
jullie verzochten
pedisteis
zij verzochten
pidieron
ik zal verzoeken
pediré
jij zal verzoeken
pedirás
hij/zij/u zal verzoeken
pedirá
wij zullen verzoeken
pediremos
jullie zullen verzoeken
pediréis
zij zullen verzoeken
pedirán
ik ben aan het verzoeken
estoy pidiendo
jij bent aan het verzoeken
estás pidiendo
hij/zij/u is aan het verzoeken
está pidiendo
wij zijn aan het verzoeken
estamos pidiendo
jullie zijn aan het verzoeken
estáis pidiendo
zij zijn aan het verzoeken
están pidiendo
ik heb verzocht
he pedido
jij hebt verzocht
has pedido
hij/zij/u heeft verzocht
ha pedido
wij hebben verzocht
hemos pedido
jullie hebben verzocht
habéis pedido
zij hebben verzocht
han pedido
ik vraag
pregunto
jij vraagt
preguntas
hij/zij/u vraagt
pregunta
wij vragen
preguntamos
jullie vragen
preguntáis
zij vragen
preguntan
ik vroeg
pregunté
jij vroeg
preguntaste
hij/zij/u vroeg
preguntó
wij vroegen
preguntamos
jullie vroegen
preguntasteis
zij vroegen
preguntaron
ik zal vragen
preguntaré
jij zal vragen
preguntarás
hij/zij/u zal vragen
preguntará
wij zullen vragen
preguntaremos
jullie zullen vragen
preguntaréis
zij zullen vragen
preguntarán
ik ben aan het vragen
estoy preguntando
jij bent aan het vragen
estás preguntando
hij/zij/u is aan het vragen
está preguntando
wij zijn aan het vragen
estamos preguntando
jullie zijn aan het vragen
estáis preguntando
zij zijn aan het vragen
están preguntando
ik heb gevraagd
he preguntado
jij hebt gevraagd
has preguntado
hij/zij/u heeft gevraagd
ha preguntado
wij hebben gevraagd
hemos preguntado
jullie hebben gevraagd
habéis preguntado
zij hebben gevraagd
han preguntado
ik spreek af
quedo
jij spreekt af
quedas
hij/zij/u spreekt af
queda
wij spreken af
quedamos
jullie spreken af
quedáis
zij spreken af
quedan
ik sprak af
quedé
jij sprak af
quedaste
hij/zij/u sprak af
quedó
wij spraken af
quedamos
jullie spraken af
quedasteis
zij spraken af
quedaron
ik zal afspreken
quedaré
jij zal afspreken
quedarás
hij/zij/u zal afspreken
quedará
wij zullen afspreken
quedaremos
jullie zullen afspreken
quedaréis
zij zullen afspreken
quedarán
ik ben aan het afspreken
estoy quedando
jij bent aan het afspreken
estás quedando
hij/zij/u is aan het afspreken
está quedando
wij zijn aan het afspreken
estamos quedando
jullie zijn aan het afspreken
estáis quedando
zij zijn aan het afspreken
están quedando
ik heb afgesproken
he quedado
jij hebt afgesproken
has quedado
hij/zij/u heeft afgesproken
ha quedado
wij hebben afgesproken
hemos quedado
jullie hebben afgesproken
habéis quedado
zij hebben afgesproken
han quedado
ik blijf
quedo
jij blijft
quedas
hij/zij/u blijft
queda
wij blijven
quedamos
jullie blijven
quedáis
zij blijven
quedan
ik bleef
quedé
jij bleef
quedaste
hij/zij/u bleef
quedó
wij bleven
quedamos
jullie bleven
quedasteis
zij bleven
quedaron
ik zal blijven
quedaré
jij zal blijven
quedarás
hij/zij/u zal blijven
quedará
wij zullen blijven
quedaremos
jullie zullen blijven
quedaréis
zij zullen blijven
quedarán
ik ben aan het blijven
estoy quedando
jij bent aan het blijven
estás quedando
hij/zij/u is aan het blijven
está quedando
wij zijn aan het blijven
estamos quedando
jullie zijn aan het blijven
estáis quedando
zij zijn aan het blijven
están quedando
ik ben gebleven
he quedado
jij bent gebleven
has quedado
hij/zij/u is gebleven
ha quedado
wij zijn gebleven
hemos quedado
jullie zijn gebleven
habéis quedado
zij zijn gebleven
han quedado
ik wens
deseo
jij wenst
deseas
hij/zij/u wenst
desea
wij wensen
deseamos
jullie wensen
deseáis
zij wensen
desean
ik wenste
deseé
jij wenste
deseaste
hij/zij/u wenste
deseó
wij wensten
deseamos
jullie wensten
deseasteis
zij wensten
desearon
ik zal wensen
desearé
jij zal wensen
desearás
hij/zij/u zal wensen
deseará
wij zullen wensen
desearemos
jullie zullen wensen
desearéis
zij zullen wensen
desearán
ik ben aan het wensen
estoy deseando
jij bent aan het wensen
estás deseando
hij/zij/u is aan het wensen
está deseando
wij zijn aan het wensen
estamos deseando
jullie zijn aan het wensen
estáis deseando
zij zijn aan het wensen
están deseando
ik heb gewenst
he deseado
jij hebt gewenst
has deseado
hij/zij/u heeft gewenst
ha deseado
wij hebben gewenst
hemos deseado
jullie hebben gewenst
habéis deseado
zij hebben gewenst
han deseado
ik slaap
duermo
jij slaapt
duermes
hij/zij/u slaapt
duerme
wij slapen
dormimos
jullie slapen
dormís
zij slapen
duermen
ik sliep
dormí
jij sliep
dormiste
hij/zij/u sliep
durmió
wij sliepen
dormimos
jullie sliepen
dormisteis
zij sliepen
durmieron
ik zal slapen
dormiré
jij zal slapen
dormirás
hij/zij/u zal slapen
dormirá
wij zullen slapen
dormiremos
jullie zullen slapen
dormiréis
zij zullen slapen
dormirán
ik ben aan het slapen
estoy durmiendo
jij bent aan het slapen
estás durmiendo
hij/zij/u is aan het slapen
está durmiendo
wij zijn aan het slapen
estamos durmiendo
jullie zijn aan het slapen
estáis durmiendo
zij zijn aan het slapen
están durmiendo
ik heb geslapen
he dormido
jij hebt geslapen
has dormido
hij/zij/u heeft geslapen
ha dormido
wij hebben geslapen
hemos dormido
jullie hebben geslapen
habéis dormido
zij hebben geslapen
han dormido
ik groei op
crezco
jij groeit op
creces
hij/zij/u groeit op
crece
wij groeien op
crecemos
jullie groeien op
crecéis
zij groeien op
crecen
ik groeide op
crecí
jij groeide op
creciste
hij/zij/u groeide op
creció
wij groeiden op
crecimos
jullie groeiden op
crecisteis
zij groeiden op
crecieron
ik zal opgroeien
creceré
jij zal opgroeien
crecerás
hij/zij/u zal opgroeien
crecerá
wij zullen opgroeien
creceremos
jullie zullen opgroeien
creceréis
zij zullen opgroeien
crecerán
ik ben aan het opgroeien
estoy creciendo
jij bent aan het opgroeien
estás creciendo
hij/zij/u is aan het opgroeien
está creciendo
wij zijn aan het opgroeien
estamos creciendo
jullie zijn aan het opgroeien
estáis creciendo
zij zijn aan het opgroeien
están creciendo
ik ben opgegroeid
he crecido
jij bent opgegroeid
has crecido
hij/zij/u is opgegroeid
ha crecido
wij zijn opgegroeid
hemos crecido
jullie zijn opgegroeid
habéis crecido
zij zijn opgegroeid
han crecido
ik voel
siento
jij voelt
sientes
hij/zij/u voelt
siente
wij voelen
sentimos
jullie voelen
sentís
zij voelen
sienten
ik voelde
sentí
jij voelde
sentiste
hij/zij/u voelde
sintió
wij voelden
sentimos
jullie voelden
sentisteis
zij voelden
sintieron
ik zal voelen
sentiré
jij zal voelen
sentirás
hij/zij/u zal voelen
sentirá
wij zullen voelen
sentiremos
jullie zullen voelen
sentiréis
zij zullen voelen
sentirán
ik ben aan het voelen
estoy sintiendo
jij bent aan het voelen
estás sintiendo
hij/zij/u is aan het voelen
está sintiendo
wij zijn aan het voelen
estamos sintiendo
jullie zijn aan het voelen
estáis sintiendo
zij zijn aan het voelen
están sintiendo
ik heb gevoeld
he sentido
jij hebt gevoeld
has sentido
hij/zij/u heeft gevoeld
ha sentido
wij hebben gevoeld
hemos sentido
jullie hebben gevoeld
habéis sentido
zij hebben gevoeld
han sentido
ik val
siento
jij valt
sientas
hij/zij/u valt
sienta
wij vallen
sentamos
jullie vallen
sentáis
zij vallen
sientan
ik viel
senté
jij viel
sentaste
hij/zij/u viel
sentó
wij vielen
sentamos
jullie vielen
sentasteis
zij vielen
sentaron
ik zal vallen
sentaré
jij zal vallen
sentarás
hij/zij/u zal vallen
sentará
wij zullen vallen
sentaremos
jullie zullen vallen
sentaréis
zij zullen vallen
sentarán
ik ben aan het vallen
estoy sentando
jij bent aan het vallen
estás sentando
hij/zij/u is aan het vallen
está sentando
wij zijn aan het vallen
estamos sentando
jullie zijn aan het vallen
estáis sentando
zij zijn aan het vallen
están sentando
ik ben gevallen
he sentado
jij bent gevallen
has sentado
hij/zij/u is gevallen
ha sentado
wij zijn gevallen
hemos sentado
jullie zijn gevallen
habéis sentado
zij zijn gevallen
han sentado
ik zit
siento
jij zit
sientas
hij/zij/u zit
sienta
wij zitten
sentamos
jullie zitten
sentáis
zij zitten
sientan
ik zat
senté
jij zat
sentaste
hij/zij/u zat
sentó
wij zaten
sentamos
jullie zaten
sentasteis
zij zaten
sentaron
ik zal zitten
sentaré
jij zal zitten
sentarás
hij/zij/u zal zitten
sentará
wij zullen zitten
sentaremos
jullie zullen zitten
sentaréis
zij zullen zitten
sentarán
ik ben aan het zitten
estoy sentando
jij bent aan het zitten
estás sentando
hij/zij/u is aan het zitten
está sentando
wij zijn aan het zitten
estamos sentando
jullie zijn aan het zitten
estáis sentando
zij zijn aan het zitten
están sentando
ik heb gezeten
he sentado
jij hebt gezeten
has sentado
hij/zij/u heeft gezeten
ha sentado
wij hebben gezeten
hemos sentado
jullie hebben gezeten
habéis sentado
zij hebben gezeten
han sentado
ik vertaal
traduzco
jij vertaalt
traduces
hij/zij/u vertaalt
traduce
wij vertalen
traducimos
jullie vertalen
traducís
zij vertalen
traducen
ik vertaalde
traduje
jij vertaalde
tradujiste
hij/zij/u vertaalde
tradujo
wij vertaalden
tradujimos
jullie vertaalden
tradujisteis
zij vertaalden
tradujeron
ik zal vertalen
traduciré
jij zal vertalen
traducirás
hij/zij/u zal vertalen
traducirá
wij zullen vertalen
traduciremos
jullie zullen vertalen
traduciréis
zij zullen vertalen
traducirán
ik ben aan het vertalen
estoy traduciendo
jij bent aan het vertalen
estás traduciendo
hij/zij/u is aan het vertalen
está traduciendo
wij zijn aan het vertalen
estamos traduciendo
jullie zijn aan het vertalen
estáis traduciendo
zij zijn aan het vertalen
están traduciendo
ik heb vertaald
he traducido
jij hebt vertaald
has traducido
hij/zij/u heeft vertaald
ha traducido
wij hebben vertaald
hemos traducido
jullie hebben vertaald
habéis traducido
zij hebben vertaald
han traducido
ik ruik
huelo
jij ruikt
hueles
hij/zij/u ruikt
huele
wij ruiken
olemos
jullie ruiken
oléis
zij ruiken
huelen
ik rook
olí
jij rook
oliste
hij/zij/u rook
olió
wij roken
olimos
jullie roken
olisteis
zij roken
olieron
ik zal ruiken
oleré
jij zal ruiken
olerás
hij/zij/u zal ruiken
olerá
wij zullen ruiken
oleremos
jullie zullen ruiken
oleréis
zij zullen ruiken
olerán
ik ben aan het ruiken
estoy oliendo
jij bent aan het ruiken
estás oliendo
hij/zij/u is aan het ruiken
está oliendo
wij zijn aan het ruiken
estamos oliendo
jullie zijn aan het ruiken
estáis oliendo
zij zijn aan het ruiken
están oliendo
ik heb geroken
he olido
jij hebt geroken
has olido
hij/zij/u heeft geroken
ha olido
wij hebben geroken
hemos olido
jullie hebben geroken
habéis olido
zij hebben geroken
han olido
ik neem mee
traigo
jij neemt mee
traes
hij/zij/u neemt mee
trae
wij nemen mee
traemos
jullie nemen mee
traéis
zij nemen mee
traen
ik nam mee
traje
jij nam mee
trajiste
hij/zij/u nam mee
trajo
wij namen mee
trajimos
jullie namen mee
trajisteis
zij namen mee
trajeron
ik zal meenemen
traeré
jij zal meenemen
traerás
hij/zij/u zal meenemen
traerá
wij zullen meenemen
traeremos
jullie zullen meenemen
traeréis
zij zullen meenemen
traerán
ik ben aan het meenemen
estoy trayendo
jij bent aan het meenemen
estás trayendo
hij/zij/u is aan het meenemen
está trayendo
wij zijn aan het meenemen
estamos trayendo
jullie zijn aan het meenemen
estáis trayendo
zij zijn aan het meenemen
están trayendo
ik heb meegenomen
he traído
jij hebt meegenomen
has traído
hij/zij/u heeft meegenomen
ha traído
wij hebben meegenomen
hemos traído
jullie hebben meegenomen
habéis traído
zij hebben meegenomen
han traído
ik breng
traigo
jij brengt
traes
hij/zij/u brengt
trae
wij brengen
traemos
jullie brengen
traéis
zij brengen
traen
ik bracht
traje
jij bracht
trajiste
hij/zij/u bracht
trajo
wij brachten
trajimos
jullie brachten
trajisteis
zij brachten
trajeron
ik zal brengen
traeré
jij zal brengen
traerás
hij/zij/u zal brengen
traerá
wij zullen brengen
traeremos
jullie zullen brengen
traeréis
zij zullen brengen
traerán
ik ben aan het brengen
estoy trayendo
jij bent aan het brengen
estás trayendo
hij/zij/u is aan het brengen
está trayendo
wij zijn aan het brengen
estamos trayendo
jullie zijn aan het brengen
estáis trayendo
zij zijn aan het brengen
están trayendo
ik heb gebracht
he traído
jij hebt gebracht
has traído
hij/zij/u heeft gebracht
ha traído
wij hebben gebracht
hemos traído
jullie hebben gebracht
habéis traído
zij hebben gebracht
han traído
ik bedek
cubro
jij bedekt
cubres
hij/zij/u bedekt
cubre
wij bedekken
cubrimos
jullie bedekken
cubrís
zij bedekken
cubren
ik bedekte
cubrí
jij bedekte
cubriste
hij/zij/u bedekte
cubrió
wij bedekten
cubrimos
jullie bedekten
cubristeis
zij bedekten
cubrieron
ik zal bedekken
cubriré
jij zal bedekken
cubrirás
hij/zij/u zal bedekken
cubrirá
wij zullen bedekken
cubriremos
jullie zullen bedekken
cubriréis
zij zullen bedekken
cubrirán
ik ben aan het bedekken
estoy cubriendo
jij bent aan het bedekken
estás cubriendo
hij/zij/u is aan het bedekken
está cubriendo
wij zijn aan het bedekken
estamos cubriendo
jullie zijn aan het bedekken
estáis cubriendo
zij zijn aan het bedekken
están cubriendo
ik heb bedekt
he cubierto
jij hebt bedekt
has cubierto
hij/zij/u heeft bedekt
ha cubierto
wij hebben bedekt
hemos cubierto
jullie hebben bedekt
habéis cubierto
zij hebben bedekt
han cubierto
ik beschern
cubro
jij beschermt
cubres
hij/zij/u beschermt
cubre
wij beschermen
cubrimos
jullie beschermen
cubrís
zij beschermen
cubren
ik beschermde
cubrí
jij beschermde
cubriste
hij/zij/u beschermde
cubrió
wij beschermden
cubrimos
jullie beschermden
cubristeis
zij beschermden
cubrieron
ik zal beschermen
cubriré
jij zal beschermen
cubrirás
hij/zij/u zal beschermen
cubrirá
wij zullen beschermen
cubriremos
jullie zullen beschermen
cubriréis
zij zullen beschermen
cubrirán
ik ben aan het beschermen
estoy cubriendo
jij bent aan het beschermen
estás cubriendo
hij/zij/u is aan het beschermen
está cubriendo
wij zijn aan het beschermen
estamos cubriendo
jullie zijn aan het beschermen
estáis cubriendo
zij zijn aan het beschermen
están cubriendo
ik heb beschermd
he cubierto
jij hebt beschermd
has cubierto
hij/zij/u heeft beschermd
ha cubierto
wij hebben beschermd
hemos cubierto
jullie hebben beschermd
habéis cubierto
zij hebben beschermd
han cubierto
ik beschrijf
describo
jij beschrijft
describes
hij/zij/u beschrijft
describe
wij beschrijven
describimos
jullie beschrijven
describís
zij beschrijven
describen
ik beschreef
describí
jij beschreef
describiste
hij/zij/u beschreef
describió
wij beschreven
describimos
jullie beschreven
describisteis
zij beschreven
describieron
ik zal beschrijven
describiré
jij zal beschrijven
describirás
hij/zij/u zal beschrijven
describirá
wij zullen beschrijven
describiremos
jullie zullen beschrijven
describiréis
zij zullen beschrijven
describirán
ik ben aan het beschrijven
estoy describiendo
jij bent aan het beschrijven
estás describiendo
hij/zij/u is aan het beschrijven
está describiendo
wij zijn aan het beschrijven
estamos describiendo
jullie zijn aan het beschrijven
estáis describiendo
zij zijn aan het beschrijven
están describiendo
ik heb beschreven
he descrito
jij hebt beschreven
has descrito
hij/zij/u heeft beschreven
ha descrito
wij hebben beschreven
hemos descrito
jullie hebben beschreven
habéis descrito
zij hebben beschreven
han descrito
ik heb aan (van kleding)
visto
jij hebt aan (van kleding)
vistes
hij/zij/u hebt aan (van kleding)
viste
wij hebben aan (van kleding)
vestimos
jullie hebben aan (van kleding)
vestís
zij hebben aan (van kleding)
visten
ik had aan (van kleding)
vestí
jij had aan (van kleding)
vestiste
hij/zij/u had aan (van kleding)
vistió
wij hadden aan (van kleding)
vestimos
jullie hadden aan (van kleding)
vestisteis
zij hadden aan (van kleding)
vistieron
ik zal aan hebben (van kleding)
vestiré
jij zal aan hebben (van kleding)
vestirás
hij/zij/u zal aan hebben (van kleding)
vestirá
wij zullen aan hebben (van kleding)
vestiremos
jullie zullen aan hebben (van kleding)
vestiréis
zij zullen aan hebben (van kleding)
vestirán
ik ben aan het aan hebben (van kleding)
estoy vistiendo
jij bent aan het aan hebben (van kleding)
estás vistiendo
hij/zij/u is aan het aan hebben (van kleding)
está vistiendo
wij zijn aan het aan hebben (van kleding)
estamos vistiendo
jullie zijn aan het aan hebben (van kleding)
estáis vistiendo
zij zijn aan het aan hebben (van kleding)
están vistiendo
ik heb aangehad (van kleding)
he vestido
jij hebt aangehad (van kleding)
has vestido
hij/zij/u heeft aangehad (van kleding)
ha vestido
wij hebben aangehad (van kleding)
hemos vestido
jullie hebben aangehad (van kleding)
habéis vestido
zij hebben aangehad (van kleding)
han vestido
ik verlaat
dejo
jij verlaat
dejas
hij/zij/u verlaat
deja
wij verlaten
dejamos
jullie verlaten
dejáis
zij verlaten
dejan
ik verliet
dejé
jij verliet
dejaste
hij/zij/u verliet
dejó
wij verlieten
dejamos
jullie verlieten
dejasteis
zij verlieten
dejaron
ik zal verlaten
dejaré
jij zal verlaten
dejarás
hij/zij/u zal verlaten
dejará
wij zullen verlaten
dejaremos
jullie zullen verlaten
dejaréis
zij zullen verlaten
dejarán
ik ben aan het verlaten
estoy dejando
jij bent aan het verlaten
estás dejando
hij/zij/u is aan het verlaten
está dejando
wij zijn aan het verlaten
estamos dejando
jullie zijn aan het verlaten
estáis dejando
zij zijn aan het verlaten
están dejando
ik heb verlaten
he dejado
jij hebt verlaten
has dejado
hij/zij/u heeft verlaten
ha dejado
wij hebben verlaten
hemos dejado
jullie hebben verlaten
habéis dejado
zij hebben verlaten
han dejado
ik laat achter
dejo
jij laat achter
dejas
hij/zij/u laat achter
deja
wij laten achter
dejamos
jullie laten achter
dejáis
zij laten achter
dejan
ik liet achter
dejé
jij liet achter
dejaste
hij/zij/u liet achter
dejó
wij lieten achter
dejamos
jullie lieten achter
dejasteis
zij lieten achter
dejaron
ik zal achterlaten
dejaré
jij zal achterlaten
dejarás
hij/zij/u zal achterlaten
dejará
wij zullen achterlaten
dejaremos
jullie zullen achterlaten
dejaréis
zij zullen achterlaten
dejarán
ik ben aan het achterlaten
estoy dejando
jij bent aan het achterlaten
estás dejando
hij/zij/u is aan het achterlaten
está dejando
wij zijn aan het achterlaten
estamos dejando
jullie zijn aan het achterlaten
estáis dejando
zij zijn aan het achterlaten
están dejando
ik heb achtergelaten
he dejado
jij hebt achtergelaten
has dejado
hij/zij/u heeft achtergelaten
ha dejado
wij hebben achtergelaten
hemos dejado
jullie hebben achtergelaten
habéis dejado
zij hebben achtergelaten
han dejado
ik verberg
escondo
jij verbergt
escondes
hij/zij/u verbergt
esconde
wij verbergen
escondemos
jullie verbergen
escondéis
zij verbergen
esconden
ik verborg
escondí
jij verborg
escondiste
hij/zij/u verborg
escondió
wij verborgen
escondimos
jullie verborgen
escondisteis
zij verborgen
escondieron
ik zal verbergen
esconderé
jij zal verbergen
esconderás
hij/zij/u zal verbergen
esconderá
wij zullen verbergen
esconderemos
jullie zullen verbergen
esconderéis
zij zullen verbergen
esconderán
ik ben aan het verbergen
estoy escondiendo
jij bent aan het verbergen
estás escondiendo
hij/zij/u is aan het verbergen
está escondiendo
wij zijn aan het verbergen
estamos escondiendo
jullie zijn aan het verbergen
estáis escondiendo
zij zijn aan het verbergen
están escondiendo
ik heb verborgen
he escondido
jij hebt verborgen
has escondido
hij/zij/u heeft verborgen
ha escondido
wij hebben verborgen
hemos escondido
jullie hebben verborgen
habéis escondido
zij hebben verborgen
han escondido
ik vul in (formulier)
relleno
jij vult in (formulier)
rellenas
hij/zij/u vult in (formulier)
rellena
wij vullen in (formulier)
rellenamos
jullie vullen in (formulier)
rellenáis
zij vullen in (formulier)
rellenan
ik vulde in (formulier)
rellené
jij vulde in (formulier)
rellenaste
hij/zij/u vulde in (formulier)
rellenó
wij vulden in (formulier)
rellenamos
jullie vulden in (formulier)
rellenasteis
zij vulden in (formulier)
rellenaron
ik zal invullen (formulier)
rellenaré
jij zal invullen (formulier)
rellenarás
hij/zij/u zal invullen (formulier)
rellenará
wij zullen invullen (formulier)
rellenaremos
jullie zullen invullen (formulier)
rellenaréis
zij zullen invullen (formulier)
rellenarán
ik ben aan het invullen (formulier)
estoy rellenando
jij bent aan het invullen (formulier)
estás rellenando
hij/zij/u is aan het invullen (formulier)
está rellenando
wij zijn aan het invullen (formulier)
estamos rellenando
jullie zijn aan het invullen (formulier)
estáis rellenando
zij zijn aan het invullen (formulier)
están rellenando
ik heb ingevuld (formulier)
he rellenado
jij hebt ingevuld (formulier)
has rellenado
hij/zij/u heeft ingevuld (formulier)
ha rellenado
wij hebben ingevuld (formulier)
hemos rellenado
jullie hebben ingevuld (formulier)
habéis rellenado
zij hebben ingevuld (formulier)
han rellenado
ik spaar
ahorro
jij spaart
ahorras
hij/zij/u spaart
ahorra
wij sparen
ahorramos
jullie sparen
ahorráis
zij sparen
ahorran
ik spaarde
ahorré
jij spaarde
ahorraste
hij/zij/u spaarde
ahorró
wij spaarden
ahorramos
jullie spaarden
ahorrasteis
zij spaarden
ahorraron
ik zal sparen
ahorraré
jij zal sparen
ahorrarás
hij/zij/u zal sparen
ahorrará
wij zullen sparen
ahorraremos
jullie zullen sparen
ahorraréis
zij zullen sparen
ahorrarán
ik ben aan het sparen
estoy ahorrando
jij bent aan het sparen
estás ahorrando
hij/zij/u is aan het sparen
está ahorrando
wij zijn aan het sparen
estamos ahorrando
jullie zijn aan het sparen
estáis ahorrando
zij zijn aan het sparen
están ahorrando
ik heb gespaard
he ahorrado
jij hebt gespaard
has ahorrado
hij/zij/u heeft gespaard
ha ahorrado
wij hebben gespaard
hemos ahorrado
jullie hebben gespaard
habéis ahorrado
zij hebben gespaard
han ahorrado
ik koop
compro
jij koopt
compras
hij/zij/u koopt
compra
wij kopen
compramos
jullie kopen
compráis
zij kopen
compran
ik kocht
compré
jij kocht
compraste
hij/zij/u kocht
compró
wij kochten
compramos
jullie kochten
comprasteis
zij kochten
compraron
ik zal kopen
compraré
jij zal kopen
comprarás
hij/zij/u zal kopen
comprará
wij zullen kopen
compraremos
jullie zullen kopen
compraréis
zij zullen kopen
comprarán
ik ben aan het kopen
estoy comprando
jij bent aan het kopen
estás comprando
hij/zij/u is aan het kopen
está comprando
wij zijn aan het kopen
estamos comprando
jullie zijn aan het kopen
estáis comprando
zij zijn aan het kopen
están comprando
ik heb gekocht
he comprado
jij hebt gekocht
has comprado
hij/zij/u heeft gekocht
ha comprado
wij hebben gekocht
hemos comprado
jullie hebben gekocht
habéis comprado
zij hebben gekocht
han comprado
ik begeleid
acompaño
jij begeleidt
acompañas
hij/zij/u begeleidt
acompaña
wij begeleiden
acompañamos
jullie begeleiden
acompañáis
zij begeleiden
acompañan
ik begeleidde
acompañé
jij begeleidde
acompañaste
hij/zij/u begeleidde
acompañó
wij begeleidden
acompañamos
jullie begeleidden
acompañasteis
zij begeleidden
acompañaron
ik zal begeleiden
acompañaré
jij zal begeleiden
acompañarás
hij/zij/u zal begeleiden
acompañará
wij zullen begeleiden
acompañaremos
jullie zullen begeleiden
acompañaréis
zij zullen begeleiden
acompañarán
ik ben aan het begeleiden
estoy acompañando
jij bent aan het begeleiden
estás acompañando
hij/zij/u is aan het begeleiden
está acompañando
wij zijn aan het begeleiden
estamos acompañando
jullie zijn aan het begeleiden
estáis acompañando
zij zijn aan het begeleiden
están acompañando
ik heb begeleid
he acompañado
jij hebt begeleid
has acompañado
hij/zij/u heeft begeleid
ha acompañado
wij hebben begeleid
hemos acompañado
jullie hebben begeleid
habéis acompañado
zij hebben begeleid
han acompañado
ik verkrijg
consigo
jij verkrijgt
consigues
hij/zij/u verkrijgt
consigue
wij verkrijgen
conseguimos
jullie verkrijgen
conseguís
zij verkrijgen
consiguen
ik verkreeg
conseguí
jij verkreeg
conseguiste
hij/zij/u verkreeg
consiguió
wij verkregen
conseguimos
jullie verkregen
conseguisteis
zij verkregen
consiguieron
ik zal verkrijgen
conseguiré
jij zal verkrijgen
conseguirás
hij/zij/u zal verkrijgen
conseguirá
wij zullen verkrijgen
conseguiremos
jullie zullen verkrijgen
conseguiréis
zij zullen verkrijgen
conseguirán
ik ben aan het verkrijgen
estoy consiguiendo
jij bent aan het verkrijgen
estás consiguiendo
hij/zij/u is aan het verkrijgen
está consiguiendo
wij zijn aan het verkrijgen
estamos consiguiendo
jullie zijn aan het verkrijgen
estáis consiguiendo
zij zijn aan het verkrijgen
están consiguiendo
ik heb verkregen
he conseguido
jij hebt verkregen
has conseguido
hij/zij/u heeft verkregen
ha conseguido
wij hebben verkregen
hemos conseguido
jullie hebben verkregen
habéis conseguido
zij hebben verkregen
han conseguido
ik parkeer
aparco
jij parkeert
aparcas
hij/zij/u parkeert
aparca
wij parkeren
aparcamos
jullie parkeren
aparcáis
zij parkeren
aparcan
ik parkeerde
aparqué
jij parkeerde
aparcaste
hij/zij/u parkeerde
aparcó
wij parkeerden
aparcamos
jullie parkeerden
aparcasteis
zij parkeerden
aparcaron
ik zal parkeren
aparcaré
jij zal parkeren
aparcarás
hij/zij/u zal parkeren
aparcará
wij zullen parkeren
aparcaremos
jullie zullen parkeren
aparcaréis
zij zullen parkeren
aparcarán
ik ben aan het parkeren
estoy aparcando
jij bent aan het parkeren
estás aparcando
hij/zij/u is aan het parkeren
está aparcando
wij zijn aan het parkeren
estamos aparcando
jullie zijn aan het parkeren
estáis aparcando
zij zijn aan het parkeren
están aparcando
ik heb geparkeerd
he aparcado
jij hebt geparkeerd
has aparcado
hij/zij/u heeft geparkeerd
ha aparcado
wij hebben geparkeerd
hemos aparcado
jullie hebben geparkeerd
habéis aparcado
zij hebben geparkeerd
han aparcado
ik val
caigo
jij valt
caes
hij/zij/u valt
cae
wij vallen
caemos
jullie vallen
caéis
zij vallen
caen
ik viel
caí
jij viel
caíste
hij/zij/u viel
cayó
wij vielen
caímos
jullie vielen
caísteis
zij vielen
cayeron
ik zal vallen
caeré
jij zal vallen
caerás
hij/zij/u zal vallen
caerá
wij zullen vallen
caeremos
jullie zullen vallen
caeréis
zij zullen vallen
caerán
ik ben aan het vallen
estoy cayendo
jij bent aan het vallen
estás cayendo
hij/zij/u is aan het vallen
está cayendo
wij zijn aan het vallen
estamos cayendo
jullie zijn aan het vallen
estáis cayendo
zij zijn aan het vallen
están cayendo
ik ben gevallen
he caído
jij bent gevallen
has caído
hij/zij/u is gevallen
ha caído
wij zijn gevallen
hemos caído
jullie zijn gevallen
habéis caído
zij zijn gevallen
han caído
ik hoor
oigo
jij hoort
oyes
hij/zij/u hoort
oye
wij horen
oímos
jullie horen
oís
zij horen
oyen
ik hoorde
oí
jij hoorde
oíste
hij/zij/u hoorde
oyó
wij hoorden
oímos
jullie hoorden
oísteis
zij hoorden
oyeron
ik zal horen
oiré
jij zal horen
oirás
hij/zij/u zal horen
oirá
wij zullen horen
oiremos
jullie zullen horen
oiréis
zij zullen horen
oirán
ik ben aan het horen
estoy oyendo
jij bent aan het horen
estás oyendo
hij/zij/u is aan het horen
está oyendo
wij zijn aan het horen
estamos oyendo
jullie zijn aan het horen
estáis oyendo
zij zijn aan het horen
están oyendo
ik heb gehoord
he oído
jij hebt gehoord
has oído
hij/zij/u heeft gehoord
ha oído
wij hebben gehoord
hemos oído
jullie hebben gehoord
habéis oído
zij hebben gehoord
han oído
ik ken
conozco
jij kent
conoces
hij/zij/u kent
conoce
wij kennen
conocemos
jullie kennen
conocéis
zij kennen
conocen
ik kende
conocí
jij kende
conociste
hij/zij/u kende
conoció
wij kenden
conocimos
jullie kenden
conocisteis
zij kenden
conocieron
ik zal kennen
conoceré
jij zal kennen
conocerás
hij/zij/u zal kennen
conocerá
wij zullen kennen
conoceremos
jullie zullen kennen
conoceréis
zij zullen kennen
conocerán
ik ben aan het kennen
estoy conociendo
jij bent aan het kennen
estás conociendo
hij/zij/u is aan het kennen
está conociendo
wij zijn aan het kennen
estamos conociendo
jullie zijn aan het kennen
estáis conociendo
zij zijn aan het kennen
están conociendo
ik heb gekend
he conocido
jij hebt gekend
has conocido
hij/zij/u heeft gekend
ha conocido
wij hebben gekend
hemos conocido
jullie hebben gekend
habéis conocido
zij hebben gekend
han conocido
ik lijk
parezco
jij lijkt
pareces
hij/zij/u lijkt
parece
wij lijken
parecemos
jullie lijken
parecéis
zij lijken
parecen
ik leek
parecí
jij leek
pareciste
hij/zij/u leek
pareció
wij leken
parecimos
jullie leken
parecisteis
zij leken
parecieron
ik zal lijken
pareceré
jij zal lijken
parecerás
hij/zij/u zal lijken
parecerá
wij zullen lijken
pareceremos
jullie zullen lijken
pareceréis
zij zullen lijken
parecerán
ik ben aan het lijken
estoy pareciendo
jij bent aan het lijken
estás pareciendo
hij/zij/u is aan het lijken
está pareciendo
wij zijn aan het lijken
estamos pareciendo
jullie zijn aan het lijken
estáis pareciendo
zij zijn aan het lijken
están pareciendo
ik heb geleken
he parecido
jij hebt geleken
has parecido
hij/zij/u heeft geleken
ha parecido
wij hebben geleken
hemos parecido
jullie hebben geleken
habéis parecido
zij hebben geleken
han parecido
ik beveel aan
recomiendo
jij beveelt aan
recomiendas
hij/zij/u beveelt aan
recomienda
wij bevelen aan
recomendamos
jullie bevelen aan
recomendáis
zij bevelen aan
recomiendan
ik beveelde aan
recomendé
jij beveelde aan
recomendaste
hij/zij/u beveelde aan
recomendó
wij beveelden aan
recomendamos
jullie beveelden aan
recomendasteis
zij beveelden aan
recomendaron
ik zal aanbevelen
recomendaré
jij zal aanbevelen
recomendarás
hij/zij/u zal aanbevelen
recomendará
wij zullen aanbevelen
recomendaremos
jullie zullen aanbevelen
recomendaréis
zij zullen aanbevelen
recomendarán
ik ben aan het aanbevelen
estoy recomendando
jij bent aan het aanbevelen
estás recomendando
hij/zij/u is aan het aanbevelen
está recomendando
wij zijn aan het aanbevelen
estamos recomendando
jullie zijn aan het aanbevelen
estáis recomendando
zij zijn aan het aanbevelen
están recomendando
ik heb aanbevolen
he recomendado
jij hebt aanbevolen
has recomendado
hij/zij/u heeft aanbevolen
ha recomendado
wij hebben aanbevolen
hemos recomendado
jullie hebben aanbevolen
habéis recomendado
zij hebben aanbevolen
han recomendado
ik heb lief
amo
jij hebt lief
amas
hij/zij/u hebt lief
ama
wij hebben lief
amamos
jullie hebben lief
amáis
zij hebben lief
aman
ik had lief
amé
jij had lief
amaste
hij/zij/u had lief
amó
wij hadden lief
amamos
jullie hadden lief
amasteis
zij hadden lief
amaron
ik zal liefhebben
amaré
jij zal liefhebben
amarás
hij/zij/u zal liefhebben
amará
wij zullen liefhebben
amaremos
jullie zullen liefhebben
amaréis
zij zullen liefhebben
amarán
ik ben aan het liefhebben
estoy amando
jij bent aan het liefhebben
estás amando
hij/zij/u is aan het liefhebben
está amando
wij zijn aan het liefhebben
estamos amando
jullie zijn aan het liefhebben
estáis amando
zij zijn aan het liefhebben
están amando
ik heb lief gehad
he amado
jij hebt lief gehad
has amado
hij/zij/u heeft lief gehad
ha amado
wij hebben lief gehad
hemos amado
jullie hebben lief gehad
habéis amado
zij hebben lief gehad
han amado
ik groei
crezco
jij groeit
creces
hij/zij/u groeit
crece
wij groeien
crecemos
jullie groeien
crecéis
zij groeien
crecen
ik groeide
crecí
jij groeide
creciste
hij/zij/u groeide
creció
wij groeiden
crecimos
jullie groeiden
crecisteis
zij groeiden
crecieron
ik zal groeien
creceré
jij zal groeien
crecerás
hij/zij/u zal groeien
crecerá
wij zullen groeien
creceremos
jullie zullen groeien
creceréis
zij zullen groeien
crecerán
ik ben aan het groeien
estoy creciendo
jij bent aan het groeien
estás creciendo
hij/zij/u is aan het groeien
está creciendo
wij zijn aan het groeien
estamos creciendo
jullie zijn aan het groeien
estáis creciendo
zij zijn aan het groeien
están creciendo
ik ben gegroeid
he crecido
jij bent gegroeid
has crecido
hij/zij/u is gegroeid
ha crecido
wij zijn gegroeid
hemos crecido
jullie zijn gegroeid
habéis crecido
zij zijn gegroeid
han crecido
ik houd op
abandono
jij houdt op
abandonas
hij/zij/u houdt op
abandona
wij houden op
abandonamos
jullie houden op
abandonáis
zij houden op
abandonan
ik hield op
abandoné
jij hield op
abandonaste
hij/zij/u hield op
abandonó
wij hielden op
abandonamos
jullie hielden op
abandonasteis
zij hielden op
abandonaron
ik zal ophouden
abandonaré
jij zal ophouden
abandonarás
hij/zij/u zal ophouden
abandonará
wij zullen ophouden
abandonaremos
jullie zullen ophouden
abandonaréis
zij zullen ophouden
abandonarán
ik ben aan het ophouden
estoy abandonando
jij bent aan het ophouden
estás abandonando
hij/zij/u is aan het ophouden
está abandonando
wij zijn aan het ophouden
estamos abandonando
jullie zijn aan het ophouden
estáis abandonando
zij zijn aan het ophouden
están abandonando
ik ben opgehouden
he abandonado
jij bent opgehouden
has abandonado
hij/zij/u is opgehouden
ha abandonado
wij zijn opgehouden
hemos abandonado
jullie zijn opgehouden
habéis abandonado
zij zijn opgehouden
han abandonado
ik geef op
abandono
jij geeft op
abandonas
hij/zij/u geeft op
abandona
wij geven op
abandonamos
jullie geven op
abandonáis
zij geven op
abandonan
ik gaf op
abandoné
jij gaf op
abandonaste
hij/zij/u gaf op
abandonó
wij gaven op
abandonamos
jullie gaven op
abandonasteis
zij gaven op
abandonaron
ik zal opgeven
abandonaré
jij zal opgeven
abandonarás
hij/zij/u zal opgeven
abandonará
wij zullen opgeven
abandonaremos
jullie zullen opgeven
abandonaréis
zij zullen opgeven
abandonarán
ik ben aan het opgeven
estoy abandonando
jij bent aan het opgeven
estás abandonando
hij/zij/u is aan het opgeven
está abandonando
wij zijn aan het opgeven
estamos abandonando
jullie zijn aan het opgeven
estáis abandonando
zij zijn aan het opgeven
están abandonando
ik heb opgegeven
he abandonado
jij hebt opgegeven
has abandonado
hij/zij/u heeft opgegeven
ha abandonado
wij hebben opgegeven
hemos abandonado
jullie hebben opgegeven
habéis abandonado
zij hebben opgegeven
han abandonado
ik negeer
niego
jij negeert
niegas
hij/zij/u negeert
niega
wij negeren
negamos
jullie negeren
negáis
zij negeren
niegan
ik negeerde
negué
jij negeerde
negaste
hij/zij/u negeerde
negó
wij negeerden
negamos
jullie negeerden
negasteis
zij negeerden
negaron
ik zal negeren
negaré
jij zal negeren
negarás
hij/zij/u zal negeren
negará
wij zullen negeren
negaremos
jullie zullen negeren
negaréis
zij zullen negeren
negarán
ik ben aan het negeren
estoy negando
jij bent aan het negeren
estás negando
hij/zij/u is aan het negeren
está negando
wij zijn aan het negeren
estamos negando
jullie zijn aan het negeren
estáis negando
zij zijn aan het negeren
están negando
ik heb genegeerd
he negado
jij hebt genegeerd
has negado
hij/zij/u heeft genegeerd
ha negado
wij hebben genegeerd
hemos negado
jullie hebben genegeerd
habéis negado
zij hebben genegeerd
han negado
ik ontken
niego
jij ontkent
niegas
hij/zij/u ontkent
niega
wij ontkennen
negamos
jullie ontkennen
negáis
zij ontkennen
niegan
ik ontkende
negué
jij ontkende
negaste
hij/zij/u ontkende
negó
wij ontkenden
negamos
jullie ontkenden
negasteis
zij ontkenden
negaron
ik zal ontkennen
negaré
jij zal ontkennen
negarás
hij/zij/u zal ontkennen
negará
wij zullen ontkennen
negaremos
jullie zullen ontkennen
negaréis
zij zullen ontkennen
negarán
ik ben aan het ontkennen
estoy negando
jij bent aan het ontkennen
estás negando
hij/zij/u is aan het ontkennen
está negando
wij zijn aan het ontkennen
estamos negando
jullie zijn aan het ontkennen
estáis negando
zij zijn aan het ontkennen
están negando
ik heb ontkend
he negado
jij hebt ontkend
has negado
hij/zij/u heeft ontkend
ha negado
wij hebben ontkend
hemos negado
jullie hebben ontkend
habéis negado
zij hebben ontkend
han negado
Author
ovdwalle
ID
180379
Card Set
AlleTijdenTotaal.txt
Description
Totaal
Updated
2012-10-28T19:37:04Z
Home
Flashcards
Preview