Home
Flashcards
Preview
AlleTijdenPerfecto.txt
Home
Get App
Take Quiz
Create
ik heb gesproken
he hablado
jij hebt gesproken
has hablado
hij/zij/u heeft gesproken
ha hablado
wij hebben gesproken
hemos hablado
jullie hebben gesproken
habéis hablado
zij hebben gesproken
han hablado
ik heb gegeten
he comido
jij hebt gegeten
has comido
hij/zij/u heeft gegeten
ha comido
wij hebben gegeten futuro
hemos comido
jullie hebben gegeten
habéis comido
zij hebben gegeten
han comido
ik heb geleefd
he vivido
jij hebt geleefd
has vivido
hij/zij/u heeft geleefd
ha vivido
wij hebben geleefd
hemos vivido
jullie hebben geleefd
habéis vivido
zij hebben geleefd
han vivido
ik ben geboren
he nacido
jij bent geboren
has nacido
hij/zij/u is geboren
ha nacido
wij zijn geboren
hemos nacido
jullie zijn geboren
habéis nacido
zij zijn geboren
han nacido
ik heb ontvangen
he recibido
jij hebt ontvangen
has recibido
hij/zij/u heeft ontvangen
ha recibido
wij hebben ontvangen
hemos recibido
jullie hebben ontvangen
habéis recibido
zij hebben ontvangen
han recibido
ik heb gestudeerd
he estudiado
jij hebt gestudeerd
has estudiado
hij/zij/u heeft gestudeerd
ha estudiado
wij hebben gestudeerd
hemos estudiado
jullie hebben gestudeerd
habéis estudiado
zij hebben gestudeerd
han estudiado
ik heb besloten
he decidido
jij hebt besloten
has decidido
hij/zij/u heeft besloten
ha decidido
wij hebben besloten
hemos decidido
jullie hebben besloten
habéis decidido
zij hebben besloten
han decidido
ik heb gehad
he tenido
jij hebt gehad
has tenido
hij/zij/u heeft gehad
ha tenido
wij hebben gehad
hemos tenido
jullie hebben gehad
habéis tenido
zij hebben gehad
han tenido
ik ben geweest
he sido
jij bent geweest
has sido
hij/zij/u is geweest
ha sido
wij zijn geweest
hemos sido
jullie zijn geweest
habéis sido
zij zijn geweest
han sido
ik heb beïnvloed
he influido
jij hebt beïnvloed
has influido
hij/zij/u heeft beïnvloed
ha influido
wij hebben beïnvloed
hemos influido
jullie hebben beïnvloed
habéis influido
zij hebben beïnvloed
han influido
ik heb laten zien
he manifestado
jij hebt laten zien
has manifestado
hij/zij/u heeft laten zien
ha manifestado
wij hebben laten zien
hemos manifestado
jullie hebben laten zien
habéis manifestado
zij hebben laten zien
han manifestado
ik heb open gedaan
he abierto
jij hebt open gedaan
has abierto
hij/zij/u heeft open gedaan
ha abierto
wij hebben open gedaan
hemos abierto
jullie hebben open gedaan
habéis abierto
zij hebben open gedaan
han abierto
ik ben verhuisd
he trasladado
jij bent verhuisd
has trasladado
hij/zij/u is verhuisd
ha trasladado
wij zijn verhuisd
hemos trasladado
jullie zijn verhuisd
habéis trasladado
zij zijn verhuisd
han trasladado
ik heb gewerkt
he trabajado
jij hebt gewerkt
has trabajado
hij/zij/u heeft gewerkt
ha trabajado
wij hebben gewerkt
hemos trabajado
jullie hebben gewerkt
habéis trabajado
zij hebben gewerkt
han trabajado
ik ben getrouwd geweest
he casado
jij bent getrouwd geweest
has casado
hij/zij/u is getrouwd geweest
ha casado
wij zijn getrouwd geweest
hemos casado
jullie zijn getrouwd geweest
habéis casado
zij zijn getrouwd geweest
han casado
ik heb aangevangen
he comenzado
jij hebt aangevangen
has comenzado
hij/zij/u heeft aangevangen
ha comenzado
wij hebben aangevangen
hemos comenzado
jullie hebben aangevangen
habéis comenzado
zij hebben aangevangen
han comenzado
ik ben begonnen
he empezado
jij bent begonnen
has empezado
hij/zij/u is begonnen
ha empezado
wij zijn begonnen
hemos empezado
jullie zijn begonnen
habéis empezado
zij zijn begonnen
han empezado
ik ben gestopt
he acabado
jij bent gestopt
has acabado
hij/zij/u is gestopt
ha acabado
wij zijn gestopt
hemos acabado
jullie zijn gestopt
habéis acabado
zij zijn gestopt
han acabado
ik heb afgemaakt
he acabado
jij hebt afgemaakt
has acabado
hij/zij/u heeft afgemaakt
ha acabado
wij hebben afgemaakt
hemos acabado
jullie hebben afgemaakt
habéis acabado
zij hebben afgemaakt
han acabado
ik heb gezien
he visto
jij hebt gezien
has visto
hij/zij/u heeft gezien
ha visto
wij hebben gezien
hemos visto
jullie hebben gezien
habéis visto
zij hebben gezien
han visto
ik ben gekomen
he venido
jij bent gekomen
has venido
hij/zij/u is gekomen
ha venido
wij zijn gekomen
hemos venido
jullie zijn gekomen
habéis venido
zij zijn gekomen
han venido
ik ben naar binnen gegaan
he entrado
jij bent naar binnen gegaan
has entrado
hij/zij/u is naar binnen gegaan
ha entrado
wij zijn naar binnen gegaan
hemos entrado
jullie zijn naar binnen gegaan
habéis entrado
zij zijn naar binnen gegaan
han entrado
ik ben gestorven
he muerto
jij bent gestorven
has muerto
hij/zij/u is gestorven
ha muerto
wij zijn gestorven
hemos muerto
jullie zijn gestorven
habéis muerto
zij zijn gestorven
han muerto
ik ben geweest
he estado
jij bent geweest
has estado
hij/zij/u is geweest
ha estado
wij zijn geweest
hemos estado
jullie zijn geweest
habéis estado
zij zijn geweest
han estado
ik ben gegaan
he ido
jij bent gegaan
has ido
hij/zij/u is gegaan
ha ido
wij zijn gegaan
hemos ido
jullie zijn gegaan
habéis ido
zij zijn gegaan
han ido
ik heb gedaan
he hecho
jij hebt gedaan
has hecho
hij/zij/u heeft gedaan
ha hecho
wij hebben gedaan
hemos hecho
jullie hebben gedaan
habéis hecho
zij hebben gedaan
han hecho
ik heb gemaakt
he hecho
jij hebt gemaakt
has hecho
hij/zij/u heeft gemaakt
ha hecho
wij hebben gemaakt
hemos hecho
jullie hebben gemaakt
habéis hecho
zij hebben gemaakt
han hecho
ik heb gekund
he podido
jij hebt gekund
has podido
hij/zij/u heeft gekund
ha podido
wij hebben gekund
hemos podido
jullie hebben gekund
habéis podido
zij hebben gekund
han podido
ik heb neergezet
he puesto
jij hebt neergezet
has puesto
hij/zij/u heeft neergezet
ha puesto
wij hebben neergezet
hemos puesto
jullie hebben neergezet
habéis puesto
zij hebben neergezet
han puesto
ik heb gehad
he tenido
jij hebt gehad
has tenido
hij/zij/u heeft gehad
ha tenido
wij hebben gehad
hemos tenido
jullie hebben gehad
habéis tenido
zij hebben gehad
han tenido
ik heb gezegd
he dicho
jij hebt gezegd
has dicho
hij/zij/u heeft gezegd
ha dicho
wij hebben gezegd
hemos dicho
jullie hebben gezegd
habéis dicho
zij hebben gezegd
han dicho
ik heb gehad
he habido
jij hebt gehad
has habido
hij/zij/u heeft gehad
ha habido
wij hebben gehad
hemos habido
jullie hebben gehad
habéis habido
zij hebben gehad
han habido
ik heb geweten
he sabido
jij hebt geweten
has sabido
hij/zij/u heeft geweten
ha sabido
wij hebben geweten
hemos sabido
jullie hebben geweten
habéis sabido
zij hebben geweten
han sabido
ik ben uitgegaan
he salido
jij bent uitgegaan
has salido
hij/zij/u is uitgegaan
ha salido
wij zijn uitgegaan
hemos salido
jullie zijn uitgegaan
habéis salido
zij zijn uitgegaan
han salido
ik ben vertrokken
he salido
jij bent vertrokken
has salido
hij/zij/u is vertrokken
ha salido
wij zijn vertrokken
hemos salido
jullie zijn vertrokken
habéis salido
zij zijn vertrokken
han salido
ik heb gelezen
he leído
jij hebt gelezen
has leído
hij/zij/u heeft gelezen
ha leído
wij hebben gelezen
hemos leído
jullie hebben gelezen
habéis leído
zij hebben gelezen
han leído
ik heb geschreven
he escrito
jij hebt geschreven
has escrito
hij/zij/u heeft geschreven
ha escrito
wij hebben geschreven
hemos escrito
jullie hebben geschreven
habéis escrito
zij hebben geschreven
han escrito
ik ben teruggekeerd
he vuelto
jij bent teruggekeerd
has vuelto
hij/zij/u is teruggekeerd
ha vuelto
wij zijn teruggekeerd
hemos vuelto
jullie zijn teruggekeerd
habéis vuelto
zij zijn teruggekeerd
han vuelto
ik heb gelachen
he reído
jij hebt gelachen
has reído
hij/zij/u heeft gelachen
ha reído
wij hebben gelachen
hemos reído
jullie hebben gelachen
habéis reído
zij hebben gelachen
han reído
ik heb betaald
he pagado
jij hebt betaald
has pagado
hij/zij/u heeft betaald
ha pagado
wij hebben betaald
hemos pagado
jullie hebben betaald
habéis pagado
zij hebben betaald
han pagado
ik heb gedanst
he bailado
jij hebt gedanst
has bailado
hij/zij/u heeft gedanst
ha bailado
wij hebben gedanst
hemos bailado
jullie hebben gedanst
habéis bailado
zij hebben gedanst
han bailado
ik heb gezocht
he buscado
jij hebt gezocht
has buscado
hij/zij/u heeft gezocht
ha buscado
wij hebben gezocht
hemos buscado
jullie hebben gezocht
habéis buscado
zij hebben gezocht
han buscado
ik heb opgehaald
he buscado
jij hebt opgehaald
has buscado
hij/zij/u heeft opgehaald
ha buscado
wij hebben opgehaald
hemos buscado
jullie hebben opgehaald
habéis buscado
zij hebben opgehaald
han buscado
ik heb gezongen
he cantado
jij hebt gezongen
has cantado
hij/zij/u heeft gezongen
ha cantado
wij hebben gezongen
hemos cantado
jullie hebben gezongen
habéis cantado
zij hebben gezongen
han cantado
ik heb gedineerd
he cenado
jij hebt gedineerd
has cenado
hij/zij/u heeft gedineerd
ha cenado
wij hebben gedineerd
hemos cenado
jullie hebben gedineerd
habéis cenado
zij hebben gedineerd
han cenado
ik heb ontbeten
he desayunado
jij hebt ontbeten
has desayunado
hij/zij/u heeft ontbeten
ha desayunado
wij hebben ontbeten
hemos desayunado
jullie hebben ontbeten
habéis desayunado
zij hebben ontbeten
han desayunado
ik heb geluisterd
he escuchado
jij hebt geluisterd
has escuchado
hij/zij/u heeft geluisterd
ha escuchado
wij hebben geluisterd
hemos escuchado
jullie hebben geluisterd
habéis escuchado
zij hebben geluisterd
han escuchado
ik heb gewacht
he esperado
jij hebt gewacht
has esperado
hij/zij/u heeft gewacht
ha esperado
wij hebben gewacht
hemos esperado
jullie hebben gewacht
habéis esperado
zij hebben gewacht
han esperado
ik heb gehoopt
he esperado
jij hebt gehoopt
has esperado
hij/zij/u heeft gehoopt
ha esperado
wij hebben gehoopt
hemos esperado
jullie hebben gehoopt
habéis esperado
zij hebben gehoopt
han esperado
ik heb gestudeerd
he estudiado
jij hebt gestudeerd
has estudiado
hij/zij/u heeft gestudeerd
ha estudiado
wij hebben gestudeerd
hemos estudiado
jullie hebben gestudeerd
habéis estudiado
zij hebben gestudeerd
han estudiado
ik heb geroepen
he llamado
jij hebt geroepen
has llamado
hij/zij/u heeft geroepen
ha llamado
wij hebben geroepen
hemos llamado
jullie hebben geroepen
habéis llamado
zij hebben geroepen
han llamado
ik heb gebeld
he llamado
jij hebt gebeld
has llamado
hij/zij/u heeft gebeld
ha llamado
wij hebben gebeld
hemos llamado
jullie hebben gebeld
habéis llamado
zij hebben gebeld
han llamado
ik heb gehuild
he llorado
jij hebt gehuild
has llorado
hij/zij/u heeft gehuild
ha llorado
wij hebben gehuild
hemos llorado
jullie hebben gehuild
habéis llorado
zij hebben gehuild
han llorado
ik heb gezwommen
he nadado
jij hebt gezwommen
has nadado
hij/zij/u heeft gezwommen
ha nadado
wij hebben gezwommen
hemos nadado
jullie hebben gezwommen
habéis nadado
zij hebben gezwommen
han nadado
ik heb nodig gehad
he necesitado
jij hebt nodig gehad
has necesitado
hij/zij/u heeft nodig gehad
ha necesitado
wij hebben nodig gehad
hemos necesitado
jullie hebben nodig gehad
habéis necesitado
zij hebben nodig gehad
han necesitado
ik heb beëindigd
he terminado
jij hebt beëindigd
has terminado
hij/zij/u heeft beëindigd
ha terminado
wij hebben beëindigd
hemos terminado
jullie hebben beëindigd
habéis terminado
zij hebben beëindigd
han terminado
ik heb genomen
he tomado
jij hebt genomen
has tomado
hij/zij/u heeft genomen
ha tomado
wij hebben genomen
hemos tomado
jullie hebben genomen
habéis tomado
zij hebben genomen
han tomado
ik heb gewerkt
he trabajado
jij hebt gewerkt
has trabajado
hij/zij/u heeft gewerkt
ha trabajado
wij hebben gewerkt
hemos trabajado
jullie hebben gewerkt
habéis trabajado
zij hebben gewerkt
han trabajado
ik heb gereisd
he viajado
jij hebt gereisd
has viajado
hij/zij/u heeft gereisd
ha viajado
wij hebben gereisd
hemos viajado
jullie hebben gereisd
habéis viajado
zij hebben gereisd
han viajado
ik heb geleerd
he aprendido
jij hebt geleerd
has aprendido
hij/zij/u heeft geleerd
ha aprendido
wij hebben geleerd
hemos aprendido
jullie hebben geleerd
habéis aprendido
zij hebben geleerd
han aprendido
ik heb gegeten
he comido
jij hebt gegeten
has comido
hij/zij/u heeft gegeten
ha comido
wij hebben gegeten
hemos comido
jullie hebben gegeten
habéis comido
zij hebben gegeten
han comido
ik heb begrepen
he comprendido
jij hebt begrepen
has comprendido
hij/zij/u heeft begrepen
ha comprendido
wij hebben begrepen
hemos comprendido
jullie hebben begrepen
habéis comprendido
zij hebben begrepen
han comprendido
ik heb gerend
he corrido
jij hebt gerend
has corrido
hij/zij/u heeft gerend
ha corrido
wij hebben gerend
hemos corrido
jullie hebben gerend
habéis corrido
zij hebben gerend
han corrido
ik heb geloofd
he creído
jij hebt geloofd
has creído
hij/zij/u heeft geloofd
ha creído
wij hebben geloofd
hemos creído
jullie hebben geloofd
habéis creído
zij hebben geloofd
han creído
ik heb beloofd
he prometido
jij hebt beloofd
has prometido
hij/zij/u heeft beloofd
ha prometido
wij hebben beloofd
hemos prometido
jullie hebben beloofd
habéis prometido
zij hebben beloofd
han prometido
ik heb verkocht
he vendido
jij hebt verkocht
has vendido
hij/zij/u heeft verkocht
ha vendido
wij hebben verkocht
hemos vendido
jullie hebben verkocht
habéis vendido
zij hebben verkocht
han vendido
ik heb gedronken
he bebido
jij hebt gedronken
has bebido
hij/zij/u heeft gedronken
ha bebido
wij hebben gedronken
hemos bebido
jullie hebben gedronken
habéis bebido
zij hebben gedronken
han bebido
ik heb open gedaan
he abierto
jij hebt open gedaan
has abierto
hij/zij/u heeft open gedaan
ha abierto
wij hebben open gedaan
hemos abierto
jullie hebben open gedaan
habéis abierto
zij hebben open gedaan
han abierto
ik heb ontvangen
he recibido
jij hebt ontvangen
has recibido
hij/zij/u heeft ontvangen
ha recibido
wij hebben ontvangen
hemos recibido
jullie hebben ontvangen
habéis recibido
zij hebben ontvangen
han recibido
ik ben gestegen
he subido
jij bent gestegen
has subido
hij/zij/u is gestegen
ha subido
wij zijn gestegen
hemos subido
jullie zijn gestegen
habéis subido
zij zijn gestegen
han subido
ik ben gedaald
he bajado
jij bent gedaald
has bajado
hij/zij/u is gedaald
ha bajado
wij zijn gedaald
hemos bajado
jullie zijn gedaald
habéis bajado
zij zijn gedaald
han bajado
ik heb gewild
he querido
jij hebt gewild
has querido
hij/zij/u heeft gewild
ha querido
wij hebben gewild
hemos querido
jullie hebben gewild
habéis querido
zij hebben gewild
han querido
ik heb gehouden van
he querido
jij hebt gehouden van
has querido
hij/zij/u heeft gehouden van
ha querido
wij hebben gehouden van
hemos querido
jullie hebben gehouden van
habéis querido
zij hebben gehouden van
han querido
ik heb gespeeld
he jugado
jij hebt gespeeld
has jugado
hij/zij/u heeft gespeeld
ha jugado
wij hebben gespeeld
hemos jugado
jullie hebben gespeeld
habéis jugado
zij hebben gespeeld
han jugado
ik heb gewoonlijk gedaan
he solido
jij hebt gewoonlijk gedaan
has solido
hij/zij/u heeft gewoonlijk gedaan
ha solido
wij hebben gewoonlijk gedaan
hemos solido
jullie hebben gewoonlijk gedaan
habéis solido
zij hebben gewoonlijk gedaan
han solido
ik heb gekeken
he mirado
jij hebt gekeken
has mirado
hij/zij/u heeft gekeken
ha mirado
wij hebben gekeken
hemos mirado
jullie hebben gekeken
habéis mirado
zij hebben gekeken
han mirado
ik heb gekookt
he cocinado
jij hebt gekookt
has cocinado
hij/zij/u heeft gekookt
ha cocinado
wij hebben gekookt
hemos cocinado
jullie hebben gekookt
habéis cocinado
zij hebben gekookt
han cocinado
ik ben aangekomen
he llegado
jij bent aangekomen
has llegado
hij/zij/u is aangekomen
ha llegado
wij zijn aangekomen
hemos llegado
jullie zijn aangekomen
habéis llegado
zij zijn aangekomen
han llegado
ik ben vergeten
he olvidado
jij bent vergeten
has olvidado
hij/zij/u is vergeten
ha olvidado
wij zijn vergeten
hemos olvidado
jullie zijn vergeten
habéis olvidado
zij zijn vergeten
han olvidado
ik heb gestuurd
he mandado
jij hebt gestuurd
has mandado
hij/zij/u heeft gestuurd
ha mandado
wij hebben gestuurd
hemos mandado
jullie hebben gestuurd
habéis mandado
zij hebben gestuurd
han mandado
ik heb geleid
he mandado
jij hebt geleid
has mandado
hij/zij/u heeft geleid
ha mandado
wij hebben geleid
hemos mandado
jullie hebben geleid
habéis mandado
zij hebben geleid
han mandado
ik heb gereserveerd
he reservado
jij hebt gereserveerd
has reservado
hij/zij/u heeft gereserveerd
ha reservado
wij hebben gereserveerd
hemos reservado
jullie hebben gereserveerd
habéis reservado
zij hebben gereserveerd
han reservado
ik heb gegeven
he dado
jij hebt gegeven
has dado
hij/zij/u heeft gegeven
ha dado
wij hebben gegeven
hemos dado
jullie hebben gegeven
habéis dado
zij hebben gegeven
han dado
ik heb geprobeerd
he intentado
jij hebt geprobeerd
has intentado
hij/zij/u heeft geprobeerd
ha intentado
wij hebben geprobeerd
hemos intentado
jullie hebben geprobeerd
habéis intentado
zij hebben geprobeerd
han intentado
ik heb gestolen
he robado
jij hebt gestolen
has robado
hij/zij/u heeft gestolen
ha robado
wij hebben gestolen
hemos robado
jullie hebben gestolen
habéis robado
zij hebben gestolen
han robado
ik heb gehuurd
he alquilado
jij hebt gehuurd
has alquilado
hij/zij/u heeft gehuurd
ha alquilado
wij hebben gehuurd
hemos alquilado
jullie hebben gehuurd
habéis alquilado
zij hebben gehuurd
han alquilado
ik heb kapot gemaakt
he roto
jij hebt kapot gemaakt
has roto
hij/zij/u heeft kapot gemaakt
ha roto
wij hebben kapot gemaakt
hemos roto
jullie hebben kapot gemaakt
habéis roto
zij hebben kapot gemaakt
han roto
ik heb gebroken
he roto
jij hebt gebroken
has roto
hij/zij/u heeft gebroken
ha roto
wij hebben gebroken
hemos roto
jullie hebben gebroken
habéis roto
zij hebben gebroken
han roto
ik heb genomen (een afslag)
he cogido
jij hebt genomen (een afslag)
has cogido
hij/zij/u heeft genomen (een afslag)
ha cogido
wij hebben genomen (een afslag)
hemos cogido
jullie hebben genomen (een afslag)
habéis cogido
zij hebben genomen (een afslag)
han cogido
ik ben afgeslaan
he girado
jij bent afgeslaan
has girado
hij/zij/u is afgeslaan
ha girado
wij zijn afgeslaan
hemos girado
jullie zijn afgeslaan
habéis girado
zij zijn afgeslaan
han girado
ik ben gedraaid
he girado
jij bent gedraaid
has girado
hij/zij/u is gedraaid
ha girado
wij zijn gedraaid
hemos girado
jullie zijn gedraaid
habéis girado
zij zijn gedraaid
han girado
ik ben gepasseerd
he pasado
jij bent gepasseerd
has pasado
hij/zij/u is gepasseerd
ha pasado
wij zijn gepasseerd
hemos pasado
jullie zijn gepasseerd
habéis pasado
zij zijn gepasseerd
han pasado
ik heb gevolgd
he seguido
jij hebt gevolgd
has seguido
hij/zij/u heeft gevolgd
ha seguido
wij hebben gevolgd
hemos seguido
jullie hebben gevolgd
habéis seguido
zij hebben gevolgd
han seguido
ik ben doorgegaan
he seguido
jij bent doorgegaan
has seguido
hij/zij/u is doorgegaan
ha seguido
wij zijn doorgegaan
hemos seguido
jullie zijn doorgegaan
habéis seguido
zij zijn doorgegaan
han seguido
ik heb gedacht
he pensado
jij hebt gedacht
has pensado
hij/zij/u heeft gedacht
ha pensado
wij hebben gedacht
hemos pensado
jullie hebben gedacht
habéis pensado
zij hebben gedacht
han pensado
ik heb gerekend
he contado
jij hebt gerekend
has contado
hij/zij/u heeft gerekend
ha contado
wij hebben gerekend
hemos contado
jullie hebben gerekend
habéis contado
zij hebben gerekend
han contado
ik heb verteld
he contado
jij hebt verteld
has contado
hij/zij/u heeft verteld
ha contado
wij hebben verteld
hemos contado
jullie hebben verteld
habéis contado
zij hebben verteld
han contado
ik heb besteld
he pedido
jij hebt besteld
has pedido
hij/zij/u heeft besteld
ha pedido
wij hebben besteld
hemos pedido
jullie hebben besteld
habéis pedido
zij hebben besteld
han pedido
ik heb verzocht
he pedido
jij hebt verzocht
has pedido
hij/zij/u heeft verzocht
ha pedido
wij hebben verzocht
hemos pedido
jullie hebben verzocht
habéis pedido
zij hebben verzocht
han pedido
ik heb gevraagd
he preguntado
jij hebt gevraagd
has preguntado
hij/zij/u heeft gevraagd
ha preguntado
wij hebben gevraagd
hemos preguntado
jullie hebben gevraagd
habéis preguntado
zij hebben gevraagd
han preguntado
ik heb afgesproken
he quedado
jij hebt afgesproken
has quedado
hij/zij/u heeft afgesproken
ha quedado
wij hebben afgesproken
hemos quedado
jullie hebben afgesproken
habéis quedado
zij hebben afgesproken
han quedado
ik ben gebleven
he quedado
jij bent gebleven
has quedado
hij/zij/u is gebleven
ha quedado
wij zijn gebleven
hemos quedado
jullie zijn gebleven
habéis quedado
zij zijn gebleven
han quedado
ik heb gewenst
he deseado
jij hebt gewenst
has deseado
hij/zij/u heeft gewenst
ha deseado
wij hebben gewenst
hemos deseado
jullie hebben gewenst
habéis deseado
zij hebben gewenst
han deseado
ik heb geslapen
he dormido
jij hebt geslapen
has dormido
hij/zij/u heeft geslapen
ha dormido
wij hebben geslapen
hemos dormido
jullie hebben geslapen
habéis dormido
zij hebben geslapen
han dormido
ik ben opgegroeid
he crecido
jij bent opgegroeid
has crecido
hij/zij/u is opgegroeid
ha crecido
wij zijn opgegroeid
hemos crecido
jullie zijn opgegroeid
habéis crecido
zij zijn opgegroeid
han crecido
ik heb gevoeld
he sentido
jij hebt gevoeld
has sentido
hij/zij/u heeft gevoeld
ha sentido
wij hebben gevoeld
hemos sentido
jullie hebben gevoeld
habéis sentido
zij hebben gevoeld
han sentido
ik ben gevallen
he sentado
jij bent gevallen
has sentado
hij/zij/u is gevallen
ha sentado
wij zijn gevallen
hemos sentado
jullie zijn gevallen
habéis sentado
zij zijn gevallen
han sentado
ik heb gezeten
he sentado
jij hebt gezeten
has sentado
hij/zij/u heeft gezeten
ha sentado
wij hebben gezeten
hemos sentado
jullie hebben gezeten
habéis sentado
zij hebben gezeten
han sentado
ik heb vertaald
he traducido
jij hebt vertaald
has traducido
hij/zij/u heeft vertaald
ha traducido
wij hebben vertaald
hemos traducido
jullie hebben vertaald
habéis traducido
zij hebben vertaald
han traducido
ik heb geroken
he olido
jij hebt geroken
has olido
hij/zij/u heeft geroken
ha olido
wij hebben geroken
hemos olido
jullie hebben geroken
habéis olido
zij hebben geroken
han olido
ik heb meegenomen
he traído
jij hebt meegenomen
has traído
hij/zij/u heeft meegenomen
ha traído
wij hebben meegenomen
hemos traído
jullie hebben meegenomen
habéis traído
zij hebben meegenomen
han traído
ik heb gebracht
he traído
jij hebt gebracht
has traído
hij/zij/u heeft gebracht
ha traído
wij hebben gebracht
hemos traído
jullie hebben gebracht
habéis traído
zij hebben gebracht
han traído
ik heb bedekt
he cubierto
jij hebt bedekt
has cubierto
hij/zij/u heeft bedekt
ha cubierto
wij hebben bedekt
hemos cubierto
jullie hebben bedekt
habéis cubierto
zij hebben bedekt
han cubierto
ik heb beschermd
he cubierto
jij hebt beschermd
has cubierto
hij/zij/u heeft beschermd
ha cubierto
wij hebben beschermd
hemos cubierto
jullie hebben beschermd
habéis cubierto
zij hebben beschermd
han cubierto
ik heb beschreven
he descrito
jij hebt beschreven
has descrito
hij/zij/u heeft beschreven
ha descrito
wij hebben beschreven
hemos descrito
jullie hebben beschreven
habéis descrito
zij hebben beschreven
han descrito
ik heb aangehad (van kleding)
he vestido
jij hebt aangehad (van kleding)
has vestido
hij/zij/u heeft aangehad (van kleding)
ha vestido
wij hebben aangehad (van kleding)
hemos vestido
jullie hebben aangehad (van kleding)
habéis vestido
zij hebben aangehad (van kleding)
han vestido
ik heb verlaten
he dejado
jij hebt verlaten
has dejado
hij/zij/u heeft verlaten
ha dejado
wij hebben verlaten
hemos dejado
jullie hebben verlaten
habéis dejado
zij hebben verlaten
han dejado
ik heb achtergelaten
he dejado
jij hebt achtergelaten
has dejado
hij/zij/u heeft achtergelaten
ha dejado
wij hebben achtergelaten
hemos dejado
jullie hebben achtergelaten
habéis dejado
zij hebben achtergelaten
han dejado
ik heb verborgen
he escondido
jij hebt verborgen
has escondido
hij/zij/u heeft verborgen
ha escondido
wij hebben verborgen
hemos escondido
jullie hebben verborgen
habéis escondido
zij hebben verborgen
han escondido
ik heb ingevuld (formulier)
he rellenado
jij hebt ingevuld (formulier)
has rellenado
hij/zij/u heeft ingevuld (formulier)
ha rellenado
wij hebben ingevuld (formulier)
hemos rellenado
jullie hebben ingevuld (formulier)
habéis rellenado
zij hebben ingevuld (formulier)
han rellenado
ik heb gespaard
he ahorrado
jij hebt gespaard
has ahorrado
hij/zij/u heeft gespaard
ha ahorrado
wij hebben gespaard
hemos ahorrado
jullie hebben gespaard
habéis ahorrado
zij hebben gespaard
han ahorrado
ik heb gekocht
he comprado
jij hebt gekocht
has comprado
hij/zij/u heeft gekocht
ha comprado
wij hebben gekocht
hemos comprado
jullie hebben gekocht
habéis comprado
zij hebben gekocht
han comprado
ik heb begeleid
he acompañado
jij hebt begeleid
has acompañado
hij/zij/u heeft begeleid
ha acompañado
wij hebben begeleid
hemos acompañado
jullie hebben begeleid
habéis acompañado
zij hebben begeleid
han acompañado
ik heb verkregen
he conseguido
jij hebt verkregen
has conseguido
hij/zij/u heeft verkregen
ha conseguido
wij hebben verkregen
hemos conseguido
jullie hebben verkregen
habéis conseguido
zij hebben verkregen
han conseguido
ik heb geparkeerd
he aparcado
jij hebt geparkeerd
has aparcado
hij/zij/u heeft geparkeerd
ha aparcado
wij hebben geparkeerd
hemos aparcado
jullie hebben geparkeerd
habéis aparcado
zij hebben geparkeerd
han aparcado
ik ben gevallen
he caído
jij bent gevallen
has caído
hij/zij/u is gevallen
ha caído
wij zijn gevallen
hemos caído
jullie zijn gevallen
habéis caído
zij zijn gevallen
han caído
ik heb gehoord
he oído
jij hebt gehoord
has oído
hij/zij/u heeft gehoord
ha oído
wij hebben gehoord
hemos oído
jullie hebben gehoord
habéis oído
zij hebben gehoord
han oído
ik heb gekend
he conocido
jij hebt gekend
has conocido
hij/zij/u heeft gekend
ha conocido
wij hebben gekend
hemos conocido
jullie hebben gekend
habéis conocido
zij hebben gekend
han conocido
ik heb geleken
he parecido
jij hebt geleken
has parecido
hij/zij/u heeft geleken
ha parecido
wij hebben geleken
hemos parecido
jullie hebben geleken
habéis parecido
zij hebben geleken
han parecido
ik heb aanbevolen
he recomendado
jij hebt aanbevolen
has recomendado
hij/zij/u heeft aanbevolen
ha recomendado
wij hebben aanbevolen
hemos recomendado
jullie hebben aanbevolen
habéis recomendado
zij hebben aanbevolen
han recomendado
ik heb lief gehad
he amado
jij hebt lief gehad
has amado
hij/zij/u heeft lief gehad
ha amado
wij hebben lief gehad
hemos amado
jullie hebben lief gehad
habéis amado
zij hebben lief gehad
han amado
ik ben gegroeid
he crecido
jij bent gegroeid
has crecido
hij/zij/u is gegroeid
ha crecido
wij zijn gegroeid
hemos crecido
jullie zijn gegroeid
habéis crecido
zij zijn gegroeid
han crecido
ik ben opgehouden
he abandonado
jij bent opgehouden
has abandonado
hij/zij/u is opgehouden
ha abandonado
wij zijn opgehouden
hemos abandonado
jullie zijn opgehouden
habéis abandonado
zij zijn opgehouden
han abandonado
ik heb opgegeven
he abandonado
jij hebt opgegeven
has abandonado
hij/zij/u heeft opgegeven
ha abandonado
wij hebben opgegeven
hemos abandonado
jullie hebben opgegeven
habéis abandonado
zij hebben opgegeven
han abandonado
ik heb genegeerd
he negado
jij hebt genegeerd
has negado
hij/zij/u heeft genegeerd
ha negado
wij hebben genegeerd
hemos negado
jullie hebben genegeerd
habéis negado
zij hebben genegeerd
han negado
ik heb ontkend
he negado
jij hebt ontkend
has negado
hij/zij/u heeft ontkend
ha negado
wij hebben ontkend
hemos negado
jullie hebben ontkend
habéis negado
zij hebben ontkend
han negado
Author
ovdwalle
ID
180376
Card Set
AlleTijdenPerfecto.txt
Description
Perfecto
Updated
2012-10-28T19:33:53Z
Home
Flashcards
Preview