Home
Flashcards
Preview
AlleTijdenGerundio.txt
Home
Get App
Take Quiz
Create
ik ben aan het spreken
estoy hablando
jij bent aan het spreken
estás hablando
hij/zij/u is aan het spreken
está hablando
wij zijn aan het spreken
estamos hablando
jullie zijn aan het spreken
estáis hablando
zij zijn aan het spreken
están hablando
ik ben aan het eten
estoy comiendo
jij bent aan het eten
estás comiendo
hij/zij/u is aan het eten
está comiendo
wij zijn aan het eten
estamos comiendo
jullie zijn aan het eten
estáis comiendo
zij zijn aan het eten
están comiendo
ik ben aan het leven leven
estoy viviendo
jij bent aan het leven
estás viviendo
hij/zij/u is aan het leven
está viviendo
wij zijn aan het leven
estamos viviendo
jullie zijn aan het leven
estáis viviendo
zij zijn aan het leven
están viviendo
ik ben aan het geboren worden
estoy naciendo
jij bent aan het geboren worden
estás naciendo
hij/zij/u is aan het geboren worden
está naciendo
wij zijn aan het geboren worden
estamos naciendo
jullie zijn aan het geboren worden
estáis naciendo
zij zijn aan het geboren worden
están naciendo
ik ben aan het ontvangen
estoy recibiendo
jij bent aan het ontvangen
estás recibiendo
hij/zij/u is aan het ontvangen
está recibiendo
wij zijn aan het ontvangen
estamos recibiendo
jullie zijn aan het ontvangen
estáis recibiendo
zij zijn aan het ontvangen
están recibiendo
ik ben aan het studeren
estoy estudiando
jij bent aan het studeren
estás estudiando
hij/zij/u is aan het studeren
está estudiando
wij zijn aan het studeren
estamos estudiando
jullie zijn aan het studeren
estáis estudiando
zij zijn aan het studeren
están estudiando
ik ben aan het besluiten
estoy decidiendo
jij bent aan het besluiten
estás decidiendo
hij/zij/u is aan het besluiten
está decidiendo
wij zijn aan het besluiten
estamos decidiendo
jullie zijn aan het besluiten
estáis decidiendo
zij zijn aan het besluiten
están decidiendo
ik ben aan het hebben
estoy teniendo
jij bent aan het hebben
estás teniendo
hij/zij/u is aan het hebben
está teniendo
wij zijn aan het hebben
estamos teniendo
jullie zijn aan het hebben
estáis teniendo
zij zijn aan het hebben
están teniendo
ik ben aan het zijn (ser)
estoy siendo
jij bent aan het zijn (ser)
estás siendo
hij/zij/u is aan het zijn (ser)
está siendo
wij zijn aan het zijn (ser)
estamos siendo
jullie zijn aan het zijn (ser)
estáis siendo
zij zijn aan het zijn (ser)
están siendo
ik ben aan het beïnvloeden
estoy influyendo
jij bent aan het beïnvloeden
estás influyendo
hij/zij/u is aan het beïnvloeden
está influyendo
wij zijn aan het beïnvloeden
estamos influyendo
jullie zijn aan het beïnvloeden
estáis influyendo
zij zijn aan het beïnvloeden
están influyendo
ik ben aan het laten zien
estoy manifestando
jij bent aan het laten zien
estás manifestando
hij/zij/u is aan het laten zien
está manifestando
wij zijn aan het laten zien
estamos manifestando
jullie zijn aan het laten zien
estáis manifestando
zij zijn aan het laten zien
están manifestando
ik ben aan het open doen
estoy abriendo
jij bent aan het open doen
estás abriendo
hij/zij/u is aan het open doen
está abriendo
wij zijn aan het open doen
estamos abriendo
jullie zijn aan het open doen
estáis abriendo
zij zijn aan het open doen
están abriendo
ik ben aan het verhuizen
estoy trasladándose
jij bent aan het verhuizen
estás trasladándose
hij/zij/u is aan het verhuizen
está trasladándose
wij zijn aan het verhuizen
estamos trasladándose
jullie zijn aan het verhuizen
estáis trasladándose
zij zijn aan het verhuizen
están trasladándose
ik ben aan het werken
estoy trabajando
jij bent aan het werken
estás trabajando
hij/zij/u is aan het werken
está trabajando
wij zijn aan het werken
estamos trabajando
jullie zijn aan het werken
estáis trabajando
zij zijn aan het werken
están trabajando
ik ben aan het trouwen
estoy casándose
jij bent aan het trouwen
estás casándose
hij/zij/u is aan het trouwen
está casándose
wij zijn aan het trouwen
estamos casándose
jullie zijn aan het trouwen
estáis casándose
zij zijn aan het trouwen
están casándose
ik ben aan het aanvangen
estoy comenzando
jij bent aan het aanvangen
estás comenzando
hij/zij/u is aan het aanvangen
está comenzando
wij zijn aan het aanvangen
estamos comenzando
jullie zijn aan het aanvangen
estáis comenzando
zij zijn aan het aanvangen
están comenzando
ik ben aan het beginnen
estoy empezando
jij bent aan het beginnen
estás empezando
hij/zij/u is aan het beginnen
está empezando
wij zijn aan het beginnen
estamos empezando
jullie zijn aan het beginnen
estáis empezando
zij zijn aan het beginnen
están empezando
ik ben aan het stoppen
estoy acabando
jij bent aan het stoppen
estás acabando
hij/zij/u is aan het stoppen
está acabando
wij zijn aan het stoppen
estamos acabando
jullie zijn aan het stoppen
estáis acabando
zij zijn aan het stoppen
están acabando
ik ben aan het afmaken
estoy acabando
jij bent aan het afmaken
estás acabando
hij/zij/u is aan het afmaken
está acabando
wij zijn aan het afmaken
estamos acabando
jullie zijn aan het afmaken
estáis acabando
zij zijn aan het afmaken
están acabando
ik ben aan het zien
estoy viendo
jij bent aan het zien
estás viendo
hij/zij/u is aan het zien
está viendo
wij zijn aan het zien
estamos viendo
jullie zijn aan het zien
estáis viendo
zij zijn aan het zien
están viendo
ik ben aan het komen
estoy viniendo
jij bent aan het komen
estás viniendo
hij/zij/u is aan het komen
está viniendo
wij zijn aan het komen
estamos viniendo
jullie zijn aan het komen
estáis viniendo
zij zijn aan het komen
están viniendo
ik ben aan het naar binnen gaan
estoy entrando
jij bent aan het naar binnen gaan
estás entrando
hij/zij/u is aan het naar binnen gaan
está entrando
wij zijn aan het naar binnen gaan
estamos entrando
jullie zijn aan het naar binnen gaan
estáis entrando
zij zijn aan het naar binnen gaan
están entrando
ik ben aan het sterven
estoy muriendo
jij bent aan het sterven
estás muriendo
hij/zij/u is aan het sterven
está muriendo
wij zijn aan het sterven
estamos muriendo
jullie zijn aan het sterven
estáis muriendo
zij zijn aan het sterven
están muriendo
ik ben aan het zijn
estoy estando
jij bent aan het zijn
estás estando
hij/zij/u is aan het zijn
está estando
wij zijn aan het zijn
estamos estando
jullie zijn aan het zijn
estáis estando
zij zijn aan het zijn
están estando
ik ben aan het gaan
estoy yendo
jij bent aan het gaan
estás yendo
hij/zij/u is aan het gaan
está yendo
wij zijn aan het gaan
estamos yendo
jullie zijn aan het gaan
estáis yendo
zij zijn aan het gaan
están yendo
ik ben aan het doen
estoy haciendo
jij bent aan het doen
estás haciendo
hij/zij/u is aan het doen
está haciendo
wij zijn aan het doen
estamos haciendo
jullie zijn aan het doen
estáis haciendo
zij zijn aan het doen
están haciendo
ik ben aan het maken
estoy haciendo
jij bent aan het maken
estás haciendo
hij/zij/u is aan het maken
está haciendo
wij zijn aan het maken
estamos haciendo
jullie zijn aan het maken
estáis haciendo
zij zijn aan het maken
están haciendo
ik ben aan het kunnen
estoy pudiendo
jij bent aan het kunnen
estás pudiendo
hij/zij/u is aan het kunnen
está pudiendo
wij zijn aan het kunnen
estamos pudiendo
jullie zijn aan het kunnen
estáis pudiendo
zij zijn aan het kunnen
están pudiendo
ik ben aan het neerzetten
estoy poniendo
jij bent aan het neerzetten
estás poniendo
hij/zij/u is aan het neerzetten
está poniendo
wij zijn aan het neerzetten
estamos poniendo
jullie zijn aan het neerzetten
estáis poniendo
zij zijn aan het neerzetten
están poniendo
ik ben aan het hebben
estoy teniendo
jij bent aan het hebben
estás teniendo
hij/zij/u is aan het hebben
está teniendo
wij zijn aan het hebben
estamos teniendo
jullie zijn aan het hebben
estáis teniendo
zij zijn aan het hebben
están teniendo
ik ben aan het zeggen
estoy diciendo
jij bent aan het zeggen
estás diciendo
hij/zij/u is aan het zeggen
está diciendo
wij zijn aan het zeggen
estamos diciendo
jullie zijn aan het zeggen
estáis diciendo
zij zijn aan het zeggen
están diciendo
ik ben aan het hebben
estoy habiendo
jij bent aan het hebben
estás habiendo
hij/zij/u is aan het hebben
está habiendo
wij zijn aan het hebben
estamos habiendo
jullie zijn aan het hebben
estáis habiendo
zij zijn aan het hebben
están habiendo
ik ben aan het weten
estoy sabiendo
jij bent aan het weten
estás sabiendo
hij/zij/u is aan het weten
está sabiendo
wij zijn aan het weten
estamos sabiendo
jullie zijn aan het weten
estáis sabiendo
zij zijn aan het weten
están sabiendo
ik ben aan het uitgaan
estoy saliendo
jij bent aan het uitgaan
estás saliendo
hij/zij/u is aan het uitgaan
está saliendo
wij zijn aan het uitgaan
estamos saliendo
jullie zijn aan het uitgaan
estáis saliendo
zij zijn aan het uitgaan
están saliendo
ik ben aan het vertrekken
estoy saliendo
jij bent aan het vertrekken
estás saliendo
hij/zij/u is aan het vertrekken
está saliendo
wij zijn aan het vertrekken
estamos saliendo
jullie zijn aan het vertrekken
estáis saliendo
zij zijn aan het vertrekken
están saliendo
ik ben aan het lezen
estoy leyendo
jij bent aan het lezen
estás leyendo
hij/zij/u is aan het lezen
está leyendo
wij zijn aan het lezen
estamos leyendo
jullie zijn aan het lezen
estáis leyendo
zij zijn aan het lezen
están leyendo
ik ben aan het schrijven
estoy escribiendo
jij bent aan het schrijven
estás escribiendo
hij/zij/u is aan het schrijven
está escribiendo
wij zijn aan het schrijven
estamos escribiendo
jullie zijn aan het schrijven
estáis escribiendo
zij zijn aan het schrijven
están escribiendo
ik ben aan het terugkeren
estoy volviendo
jij bent aan het terugkeren
estás volviendo
hij/zij/u is aan het terugkeren
está volviendo
wij zijn aan het terugkeren
estamos volviendo
jullie zijn aan het terugkeren
estáis volviendo
zij zijn aan het terugkeren
están volviendo
ik ben aan het lachen
estoy riendo
jij bent aan het lachen
estás riendo
hij/zij/u is aan het lachen
está riendo
wij zijn aan het lachen
estamos riendo
jullie zijn aan het lachen
estáis riendo
zij zijn aan het lachen
están riendo
ik ben aan het betalen
estoy pagando
jij bent aan het betalen
estás pagando
hij/zij/u is aan het betalen
está pagando
wij zijn aan het betalen
estamos pagando
jullie zijn aan het betalen
estáis pagando
zij zijn aan het betalen
están pagando
ik ben aan het dansen
estoy bailando
jij bent aan het dansen
estás bailando
hij/zij/u is aan het dansen
está bailando
wij zijn aan het dansen
estamos bailando
jullie zijn aan het dansen
estáis bailando
zij zijn aan het dansen
están bailando
ik ben aan het zoeken
estoy buscando
jij bent aan het zoeken
estás buscando
hij/zij/u is aan het zoeken
está buscando
wij zijn aan het zoeken
estamos buscando
jullie zijn aan het zoeken
estáis buscando
zij zijn aan het zoeken
están buscando
ik ben aan het ophalen
estoy buscando
jij bent aan het ophalen
estás buscando
hij/zij/u is aan het ophalen
está buscando
wij zijn aan het ophalen
estamos buscando
jullie zijn aan het ophalen
estáis buscando
zij zijn aan het ophalen
están buscando
ik ben aan het zingen
estoy cantando
jij bent aan het zingen
estás cantando
hij/zij/u is aan het zingen
está cantando
wij zijn aan het zingen
estamos cantando
jullie zijn aan het zingen
estáis cantando
zij zijn aan het zingen
están cantando
ik ben aan het dineren
estoy cenando
jij bent aan het dineren
estás cenando
hij/zij/u is aan het dineren
está cenando
wij zijn aan het dineren
estamos cenando
jullie zijn aan het dineren
estáis cenando
zij zijn aan het dineren
están cenando
ik ben aan het ontbijten
estoy desayunando
jij bent aan het ontbijten
estás desayunando
hij/zij/u is aan het ontbijten
está desayunando
wij zijn aan het ontbijten
estamos desayunando
jullie zijn aan het ontbijten
estáis desayunando
zij zijn aan het ontbijten
están desayunando
ik ben aan het luisteren
estoy escuchando
jij bent aan het luisteren
estás escuchando
hij/zij/u is aan het luisteren
está escuchando
wij zijn aan het luisteren
estamos escuchando
jullie zijn aan het luisteren
estáis escuchando
zij zijn aan het luisteren
están escuchando
ik ben aan het wachten
estoy esperando
jij bent aan het wachten
estás esperando
hij/zij/u is aan het wachten
está esperando
wij zijn aan het wachten
estamos esperando
jullie zijn aan het wachten
estáis esperando
zij zijn aan het wachten
están esperando
ik ben aan het hopen
estoy esperando
jij bent aan het hopen
estás esperando
hij/zij/u is aan het hopen
está esperando
wij zijn aan het hopen
estamos esperando
jullie zijn aan het hopen
estáis esperando
zij zijn aan het hopen
están esperando
ik ben aan het studeren
estoy estudiando
jij bent aan het studeren
estás estudiando
hij/zij/u is aan het studeren
está estudiando
wij zijn aan het studeren
estamos estudiando
jullie zijn aan het studeren
estáis estudiando
zij zijn aan het studeren
están estudiando
ik ben aan het roepen
estoy llamando
jij bent aan het roepen
estás llamando
hij/zij/u is aan het roepen
está llamando
wij zijn aan het roepen
estamos llamando
jullie zijn aan het roepen
estáis llamando
zij zijn aan het roepen
están llamando
ik ben aan het bellen
estoy llamando
jij bent aan het bellen
estás llamando
hij/zij/u is aan het bellen
está llamando
wij zijn aan het bellen
estamos llamando
jullie zijn aan het bellen
estáis llamando
zij zijn aan het bellen
están llamando
ik ben aan het huilen
estoy llorando
jij bent aan het huilen
estás llorando
hij/zij/u is aan het huilen
está llorando
wij zijn aan het huilen
estamos llorando
jullie zijn aan het huilen
estáis llorando
zij zijn aan het huilen
están llorando
ik ben aan het zwemmen
estoy nadando
jij bent aan het zwemmen
estás nadando
hij/zij/u is aan het zwemmen
está nadando
wij zijn aan het zwemmen
estamos nadando
jullie zijn aan het zwemmen
estáis nadando
zij zijn aan het zwemmen
están nadando
ik ben aan het nodig hebben
estoy necesitando
jij bent aan het nodig hebben
estás necesitando
hij/zij/u is aan het nodig hebben
está necesitando
wij zijn aan het nodig hebben
estamos necesitando
jullie zijn aan het nodig hebben
estáis necesitando
zij zijn aan het nodig hebben
están necesitando
ik ben aan het beëindigen
estoy terminando
jij bent aan het beëindigen
estás terminando
hij/zij/u is aan het beëindigen
está terminando
wij zijn aan het beëindigen
estamos terminando
jullie zijn aan het beëindigen
estáis terminando
zij zijn aan het beëindigen
están terminando
ik ben aan het nemen
estoy tomando
jij bent aan het nemen
estás tomando
hij/zij/u is aan het nemen
está tomando
wij zijn aan het nemen
estamos tomando
jullie zijn aan het nemen
estáis tomando
zij zijn aan het nemen
están tomando
ik ben aan het werken
estoy trabajando
jij bent aan het werken
estás trabajando
hij/zij/u is aan het werken
está trabajando
wij zijn aan het werken
estamos trabajando
jullie zijn aan het werken
estáis trabajando
zij zijn aan het werken
están trabajando
ik ben aan het reizen
estoy viajando
jij bent aan het reizen
estás viajando
hij/zij/u is aan het reizen
está viajando
wij zijn aan het reizen
estamos viajando
jullie zijn aan het reizen
estáis viajando
zij zijn aan het reizen
están viajando
ik ben aan het leren
estoy aprendiendo
jij bent aan het leren
estás aprendiendo
hij/zij/u is aan het leren
está aprendiendo
wij zijn aan het leren
estamos aprendiendo
jullie zijn aan het leren
estáis aprendiendo
zij zijn aan het leren
están aprendiendo
ik ben aan het eten
estoy comiendo
jij bent aan het eten
estás comiendo
hij/zij/u is aan het eten
está comiendo
wij zijn aan het eten
estamos comiendo
jullie zijn aan het eten
estáis comiendo
zij zijn aan het eten
están comiendo
ik ben aan het begrijpen
estoy comprendiendo
jij bent aan het begrijpen
estás comprendiendo
hij/zij/u is aan het begrijpen
está comprendiendo
wij zijn aan het begrijpen
estamos comprendiendo
jullie zijn aan het begrijpen
estáis comprendiendo
zij zijn aan het begrijpen
están comprendiendo
ik ben aan het rennen
estoy corriendo
jij bent aan het rennen
estás corriendo
hij/zij/u is aan het rennen
está corriendo
wij zijn aan het rennen
estamos corriendo
jullie zijn aan het rennen
estáis corriendo
zij zijn aan het rennen
están corriendo
ik ben aan het geloven
estoy creyendo
jij bent aan het geloven
estás creyendo
hij/zij/u is aan het geloven
está creyendo
wij zijn aan het geloven
estamos creyendo
jullie zijn aan het geloven
estáis creyendo
zij zijn aan het geloven
están creyendo
ik ben aan het beloven
estoy prometiendo
jij bent aan het beloven
estás prometiendo
hij/zij/u is aan het beloven
está prometiendo
wij zijn aan het beloven
estamos prometiendo
jullie zijn aan het beloven
estáis prometiendo
zij zijn aan het beloven
están prometiendo
ik ben aan het verkopen
estoy vendiendo
jij bent aan het verkopen
estás vendiendo
hij/zij/u is aan het verkopen
está vendiendo
wij zijn aan het verkopen
estamos vendiendo
jullie zijn aan het verkopen
estáis vendiendo
zij zijn aan het verkopen
están vendiendo
ik ben aan het drinken
estoy bebiendo
jij bent aan het drinken
estás bebiendo
hij/zij/u is aan het drinken
está bebiendo
wij zijn aan het drinken
estamos bebiendo
jullie zijn aan het drinken
estáis bebiendo
zij zijn aan het drinken
están bebiendo
ik ben aan het open doen
estoy abriendo
jij bent aan het open doen
estás abriendo
hij/zij/u is aan het open doen
está abriendo
wij zijn aan het open doen
estamos abriendo
jullie zijn aan het open doen
estáis abriendo
zij zijn aan het open doen
están abriendo
ik ben aan het ontvangen
estoy recibiendo
jij bent aan het ontvangen
estás recibiendo
hij/zij/u is aan het ontvangen
está recibiendo
wij zijn aan het ontvangen
estamos recibiendo
jullie zijn aan het ontvangen
estáis recibiendo
zij zijn aan het ontvangen
están recibiendo
ik ben aan het stijgen
estoy subiendo
jij bent aan het stijgen
estás subiendo
hij/zij/u is aan het stijgen
está subiendo
wij zijn aan het stijgen
estamos subiendo
jullie zijn aan het stijgen
estáis subiendo
zij zijn aan het stijgen
están subiendo
ik ben aan het dalen
estoy bajando
jij bent aan het dalen
estás bajando
hij/zij/u is aan het dalen
está bajando
wij zijn aan het dalen
estamos bajando
jullie zijn aan het dalen
estáis bajando
zij zijn aan het dalen
están bajando
ik ben aan het willen
estoy queriendo
jij bent aan het willen
estás queriendo
hij/zij/u is aan het willen
está queriendo
wij zijn aan het willen
estamos queriendo
jullie zijn aan het willen
estáis queriendo
zij zijn aan het willen
están queriendo
ik ben aan het houden van
estoy queriendo
jij bent aan het houden van
estás queriendo
hij/zij/u is aan het houden van
está queriendo
wij zijn aan het houden van
estamos queriendo
jullie zijn aan het houden van
estáis queriendo
zij zijn aan het houden van
están queriendo
ik ben aan het spelen
estoy jugando
jij bent aan het spelen
estás jugando
hij/zij/u is aan het spelen
está jugando
wij zijn aan het spelen
estamos jugando
jullie zijn aan het spelen
estáis jugando
zij zijn aan het spelen
están jugando
ik ben aan het gewoonlijk doen
estoy soliendo
jij bent aan het gewoonlijk doen
estás soliendo
hij/zij/u is aan het gewoonlijk doen
está soliendo
wij zijn aan het gewoonlijk doen
estamos soliendo
jullie zijn aan het gewoonlijk doen
estáis soliendo
zij zijn aan het gewoonlijk doen
están soliendo
ik ben aan het kijken
estoy mirando
jij bent aan het kijken
estás mirando
hij/zij/u is aan het kijken
está mirando
wij zijn aan het kijken
estamos mirando
jullie zijn aan het kijken
estáis mirando
zij zijn aan het kijken
están mirando
ik ben aan het koken
estoy cocinando
jij bent aan het koken
estás cocinando
hij/zij/u is aan het koken
está cocinando
wij zijn aan het koken
estamos cocinando
jullie zijn aan het koken
estáis cocinando
zij zijn aan het koken
están cocinando
ik ben aan het aankomen
estoy llegando
jij bent aan het aankomen
estás llegando
hij/zij/u is aan het aankomen
está llegando
wij zijn aan het aankomen
estamos llegando
jullie zijn aan het aankomen
estáis llegando
zij zijn aan het aankomen
están llegando
ik ben aan het vergeten
estoy olvidando
jij bent aan het vergeten
estás olvidando
hij/zij/u is aan het vergeten
está olvidando
wij zijn aan het vergeten
estamos olvidando
jullie zijn aan het vergeten
estáis olvidando
zij zijn aan het vergeten
están olvidando
ik ben aan het sturen
estoy mandando
jij bent aan het sturen
estás mandando
hij/zij/u is aan het sturen
está mandando
wij zijn aan het sturen
estamos mandando
jullie zijn aan het sturen
estáis mandando
zij zijn aan het sturen
están mandando
ik ben aan het leiden
estoy mandando
jij bent aan het leiden
estás mandando
hij/zij/u is aan het leiden
está mandando
wij zijn aan het leiden
estamos mandando
jullie zijn aan het leiden
estáis mandando
zij zijn aan het leiden
están mandando
ik ben aan het reserveren
estoy reservando
jij bent aan het reserveren
estás reservando
hij/zij/u is aan het reserveren
está reservando
wij zijn aan het reserveren
estamos reservando
jullie zijn aan het reserveren
estáis reservando
zij zijn aan het reserveren
están reservando
ik ben aan het geven
estoy dando
jij bent aan het geven
estás dando
hij/zij/u is aan het geven
está dando
wij zijn aan het geven
estamos dando
jullie zijn aan het geven
estáis dando
zij zijn aan het geven
están dando
ik ben aan het proberen
estoy intentando
jij bent aan het proberen
estás intentando
hij/zij/u is aan het proberen
está intentando
wij zijn aan het proberen
estamos intentando
jullie zijn aan het proberen
estáis intentando
zij zijn aan het proberen
están intentando
ik ben aan het stelen
estoy robando
jij bent aan het stelen
estás robando
hij/zij/u is aan het stelen
está robando
wij zijn aan het stelen
estamos robando
jullie zijn aan het stelen
estáis robando
zij zijn aan het stelen
están robando
ik ben aan het huren
estoy alquilando
jij bent aan het huren
estás alquilando
hij/zij/u is aan het huren
está alquilando
wij zijn aan het huren
estamos alquilando
jullie zijn aan het huren
estáis alquilando
zij zijn aan het huren
están alquilando
ik ben aan het kapot maken
estoy rompiendo
jij bent aan het kapot maken
estás rompiendo
hij/zij/u is aan het kapot maken
está rompiendo
wij zijn aan het kapot maken
estamos rompiendo
jullie zijn aan het kapot maken
estáis rompiendo
zij zijn aan het kapot maken
están rompiendo
ik ben aan het breken
estoy rompiendo
jij bent aan het breken
estás rompiendo
hij/zij/u is aan het breken
está rompiendo
wij zijn aan het breken
estamos rompiendo
jullie zijn aan het breken
estáis rompiendo
zij zijn aan het breken
están rompiendo
ik ben aan het nemen (een afslag)
estoy cogiendo
jij bent aan het nemen (een afslag)
estás cogiendo
hij/zij/u is aan het nemen (een afslag)
está cogiendo
wij zijn aan het nemen (een afslag)
estamos cogiendo
jullie zijn aan het nemen (een afslag)
estáis cogiendo
zij zijn aan het nemen (een afslag)
están cogiendo
ik ben aan het afslaan
estoy girando
jij bent aan het afslaan
estás girando
hij/zij/u is aan het afslaan
está girando
wij zijn aan het afslaan
estamos girando
jullie zijn aan het afslaan
estáis girando
zij zijn aan het afslaan
están girando
ik ben aan het draaien
estoy girando
jij bent aan het draaien
estás girando
hij/zij/u is aan het draaien
está girando
wij zijn aan het draaien
estamos girando
jullie zijn aan het draaien
estáis girando
zij zijn aan het draaien
están girando
ik ben aan het passeren
estoy pasando
jij bent aan het passeren
estás pasando
hij/zij/u is aan het passeren
está pasando
wij zijn aan het passeren
estamos pasando
jullie zijn aan het passeren
estáis pasando
zij zijn aan het passeren
están pasando
ik ben aan het volgen
estoy siguiendo
jij bent aan het volgen
estás siguiendo
hij/zij/u is aan het volgen
está siguiendo
wij zijn aan het volgen
estamos siguiendo
jullie zijn aan het volgen
estáis siguiendo
zij zijn aan het volgen
están siguiendo
ik ben aan het doorgaan
estoy siguiendo
jij bent aan het doorgaan
estás siguiendo
hij/zij/u is aan het doorgaan
está siguiendo
wij zijn aan het doorgaan
estamos siguiendo
jullie zijn aan het doorgaan
estáis siguiendo
zij zijn aan het doorgaan
están siguiendo
ik ben aan het denken
estoy pensando
jij bent aan het denken
estás pensando
hij/zij/u is aan het denken
está pensando
wij zijn aan het denken
estamos pensando
jullie zijn aan het denken
estáis pensando
zij zijn aan het denken
están pensando
ik ben aan het rekenen
estoy contando
jij bent aan het rekenen
estás contando
hij/zij/u is aan het rekenen
está contando
wij zijn aan het rekenen
estamos contando
jullie zijn aan het rekenen
estáis contando
zij zijn aan het rekenen
están contando
ik ben aan het vertellen
estoy contando
jij bent aan het vertellen
estás contando
hij/zij/u is aan het vertellen
está contando
wij zijn aan het vertellen
estamos contando
jullie zijn aan het vertellen
estáis contando
zij zijn aan het vertellen
están contando
ik ben aan het bestellen
estoy pidiendo
jij bent aan het bestellen
estás pidiendo
hij/zij/u is aan het bestellen
está pidiendo
wij zijn aan het bestellen
estamos pidiendo
jullie zijn aan het bestellen
estáis pidiendo
zij zijn aan het bestellen
están pidiendo
ik ben aan het verzoeken
estoy pidiendo
jij bent aan het verzoeken
estás pidiendo
hij/zij/u is aan het verzoeken
está pidiendo
wij zijn aan het verzoeken
estamos pidiendo
jullie zijn aan het verzoeken
estáis pidiendo
zij zijn aan het verzoeken
están pidiendo
ik ben aan het vragen
estoy preguntando
jij bent aan het vragen
estás preguntando
hij/zij/u is aan het vragen
está preguntando
wij zijn aan het vragen
estamos preguntando
jullie zijn aan het vragen
estáis preguntando
zij zijn aan het vragen
están preguntando
ik ben aan het afspreken
estoy quedando
jij bent aan het afspreken
estás quedando
hij/zij/u is aan het afspreken
está quedando
wij zijn aan het afspreken
estamos quedando
jullie zijn aan het afspreken
estáis quedando
zij zijn aan het afspreken
están quedando
ik ben aan het blijven
estoy quedando
jij bent aan het blijven
estás quedando
hij/zij/u is aan het blijven
está quedando
wij zijn aan het blijven
estamos quedando
jullie zijn aan het blijven
estáis quedando
zij zijn aan het blijven
están quedando
ik ben aan het wensen
estoy deseando
jij bent aan het wensen
estás deseando
hij/zij/u is aan het wensen
está deseando
wij zijn aan het wensen
estamos deseando
jullie zijn aan het wensen
estáis deseando
zij zijn aan het wensen
están deseando
ik ben aan het slapen
estoy durmiendo
jij bent aan het slapen
estás durmiendo
hij/zij/u is aan het slapen
está durmiendo
wij zijn aan het slapen
estamos durmiendo
jullie zijn aan het slapen
estáis durmiendo
zij zijn aan het slapen
están durmiendo
ik ben aan het opgroeien
estoy creciendo
jij bent aan het opgroeien
estás creciendo
hij/zij/u is aan het opgroeien
está creciendo
wij zijn aan het opgroeien
estamos creciendo
jullie zijn aan het opgroeien
estáis creciendo
zij zijn aan het opgroeien
están creciendo
ik ben aan het voelen
estoy sintiendo
jij bent aan het voelen
estás sintiendo
hij/zij/u is aan het voelen
está sintiendo
wij zijn aan het voelen
estamos sintiendo
jullie zijn aan het voelen
estáis sintiendo
zij zijn aan het voelen
están sintiendo
ik ben aan het vallen
estoy sentando
jij bent aan het vallen
estás sentando
hij/zij/u is aan het vallen
está sentando
wij zijn aan het vallen
estamos sentando
jullie zijn aan het vallen
estáis sentando
zij zijn aan het vallen
están sentando
ik ben aan het zitten
estoy sentando
jij bent aan het zitten
estás sentando
hij/zij/u is aan het zitten
está sentando
wij zijn aan het zitten
estamos sentando
jullie zijn aan het zitten
estáis sentando
zij zijn aan het zitten
están sentando
ik ben aan het vertalen
estoy traduciendo
jij bent aan het vertalen
estás traduciendo
hij/zij/u is aan het vertalen
está traduciendo
wij zijn aan het vertalen
estamos traduciendo
jullie zijn aan het vertalen
estáis traduciendo
zij zijn aan het vertalen
están traduciendo
ik ben aan het ruiken
estoy oliendo
jij bent aan het ruiken
estás oliendo
hij/zij/u is aan het ruiken
está oliendo
wij zijn aan het ruiken
estamos oliendo
jullie zijn aan het ruiken
estáis oliendo
zij zijn aan het ruiken
están oliendo
ik ben aan het meenemen
estoy trayendo
jij bent aan het meenemen
estás trayendo
hij/zij/u is aan het meenemen
está trayendo
wij zijn aan het meenemen
estamos trayendo
jullie zijn aan het meenemen
estáis trayendo
zij zijn aan het meenemen
están trayendo
ik ben aan het brengen
estoy trayendo
jij bent aan het brengen
estás trayendo
hij/zij/u is aan het brengen
está trayendo
wij zijn aan het brengen
estamos trayendo
jullie zijn aan het brengen
estáis trayendo
zij zijn aan het brengen
están trayendo
ik ben aan het bedekken
estoy cubriendo
jij bent aan het bedekken
estás cubriendo
hij/zij/u is aan het bedekken
está cubriendo
wij zijn aan het bedekken
estamos cubriendo
jullie zijn aan het bedekken
estáis cubriendo
zij zijn aan het bedekken
están cubriendo
ik ben aan het beschermen
estoy cubriendo
jij bent aan het beschermen
estás cubriendo
hij/zij/u is aan het beschermen
está cubriendo
wij zijn aan het beschermen
estamos cubriendo
jullie zijn aan het beschermen
estáis cubriendo
zij zijn aan het beschermen
están cubriendo
ik ben aan het beschrijven
estoy describiendo
jij bent aan het beschrijven
estás describiendo
hij/zij/u is aan het beschrijven
está describiendo
wij zijn aan het beschrijven
estamos describiendo
jullie zijn aan het beschrijven
estáis describiendo
zij zijn aan het beschrijven
están describiendo
ik ben aan het aan hebben (van kleding)
estoy vistiendo
jij bent aan het aan hebben (van kleding)
estás vistiendo
hij/zij/u is aan het aan hebben (van kleding)
está vistiendo
wij zijn aan het aan hebben (van kleding)
estamos vistiendo
jullie zijn aan het aan hebben (van kleding)
estáis vistiendo
zij zijn aan het aan hebben (van kleding)
están vistiendo
ik ben aan het verlaten
estoy dejando
jij bent aan het verlaten
estás dejando
hij/zij/u is aan het verlaten
está dejando
wij zijn aan het verlaten
estamos dejando
jullie zijn aan het verlaten
estáis dejando
zij zijn aan het verlaten
están dejando
ik ben aan het achterlaten
estoy dejando
jij bent aan het achterlaten
estás dejando
hij/zij/u is aan het achterlaten
está dejando
wij zijn aan het achterlaten
estamos dejando
jullie zijn aan het achterlaten
estáis dejando
zij zijn aan het achterlaten
están dejando
ik ben aan het verbergen
estoy escondiendo
jij bent aan het verbergen
estás escondiendo
hij/zij/u is aan het verbergen
está escondiendo
wij zijn aan het verbergen
estamos escondiendo
jullie zijn aan het verbergen
estáis escondiendo
zij zijn aan het verbergen
están escondiendo
ik ben aan het invullen (formulier)
estoy rellenando
jij bent aan het invullen (formulier)
estás rellenando
hij/zij/u is aan het invullen (formulier)
está rellenando
wij zijn aan het invullen (formulier)
estamos rellenando
jullie zijn aan het invullen (formulier)
estáis rellenando
zij zijn aan het invullen (formulier)
están rellenando
ik ben aan het sparen
estoy ahorrando
jij bent aan het sparen
estás ahorrando
hij/zij/u is aan het sparen
está ahorrando
wij zijn aan het sparen
estamos ahorrando
jullie zijn aan het sparen
estáis ahorrando
zij zijn aan het sparen
están ahorrando
ik ben aan het kopen
estoy comprando
jij bent aan het kopen
estás comprando
hij/zij/u is aan het kopen
está comprando
wij zijn aan het kopen
estamos comprando
jullie zijn aan het kopen
estáis comprando
zij zijn aan het kopen
están comprando
ik ben aan het begeleiden
estoy acompañando
jij bent aan het begeleiden
estás acompañando
hij/zij/u is aan het begeleiden
está acompañando
wij zijn aan het begeleiden
estamos acompañando
jullie zijn aan het begeleiden
estáis acompañando
zij zijn aan het begeleiden
están acompañando
ik ben aan het verkrijgen
estoy consiguiendo
jij bent aan het verkrijgen
estás consiguiendo
hij/zij/u is aan het verkrijgen
está consiguiendo
wij zijn aan het verkrijgen
estamos consiguiendo
jullie zijn aan het verkrijgen
estáis consiguiendo
zij zijn aan het verkrijgen
están consiguiendo
ik ben aan het parkeren
estoy aparcando
jij bent aan het parkeren
estás aparcando
hij/zij/u is aan het parkeren
está aparcando
wij zijn aan het parkeren
estamos aparcando
jullie zijn aan het parkeren
estáis aparcando
zij zijn aan het parkeren
están aparcando
ik ben aan het vallen
estoy cayendo
jij bent aan het vallen
estás cayendo
hij/zij/u is aan het vallen
está cayendo
wij zijn aan het vallen
estamos cayendo
jullie zijn aan het vallen
estáis cayendo
zij zijn aan het vallen
están cayendo
ik ben aan het horen
estoy oyendo
jij bent aan het horen
estás oyendo
hij/zij/u is aan het horen
está oyendo
wij zijn aan het horen
estamos oyendo
jullie zijn aan het horen
estáis oyendo
zij zijn aan het horen
están oyendo
ik ben aan het kennen
estoy conociendo
jij bent aan het kennen
estás conociendo
hij/zij/u is aan het kennen
está conociendo
wij zijn aan het kennen
estamos conociendo
jullie zijn aan het kennen
estáis conociendo
zij zijn aan het kennen
están conociendo
ik ben aan het lijken
estoy pareciendo
jij bent aan het lijken
estás pareciendo
hij/zij/u is aan het lijken
está pareciendo
wij zijn aan het lijken
estamos pareciendo
jullie zijn aan het lijken
estáis pareciendo
zij zijn aan het lijken
están pareciendo
ik ben aan het aanbevelen
estoy recomendando
jij bent aan het aanbevelen
estás recomendando
hij/zij/u is aan het aanbevelen
está recomendando
wij zijn aan het aanbevelen
estamos recomendando
jullie zijn aan het aanbevelen
estáis recomendando
zij zijn aan het aanbevelen
están recomendando
ik ben aan het liefhebben
estoy amando
jij bent aan het liefhebben
estás amando
hij/zij/u is aan het liefhebben
está amando
wij zijn aan het liefhebben
estamos amando
jullie zijn aan het liefhebben
estáis amando
zij zijn aan het liefhebben
están amando
ik ben aan het groeien
estoy creciendo
jij bent aan het groeien
estás creciendo
hij/zij/u is aan het groeien
está creciendo
wij zijn aan het groeien
estamos creciendo
jullie zijn aan het groeien
estáis creciendo
zij zijn aan het groeien
están creciendo
ik ben aan het ophouden
estoy abandonando
jij bent aan het ophouden
estás abandonando
hij/zij/u is aan het ophouden
está abandonando
wij zijn aan het ophouden
estamos abandonando
jullie zijn aan het ophouden
estáis abandonando
zij zijn aan het ophouden
están abandonando
ik ben aan het opgeven
estoy abandonando
jij bent aan het opgeven
estás abandonando
hij/zij/u is aan het opgeven
está abandonando
wij zijn aan het opgeven
estamos abandonando
jullie zijn aan het opgeven
estáis abandonando
zij zijn aan het opgeven
están abandonando
ik ben aan het negeren
estoy negando
jij bent aan het negeren
estás negando
hij/zij/u is aan het negeren
está negando
wij zijn aan het negeren
estamos negando
jullie zijn aan het negeren
estáis negando
zij zijn aan het negeren
están negando
ik ben aan het ontkennen
estoy negando
jij bent aan het ontkennen
estás negando
hij/zij/u is aan het ontkennen
está negando
wij zijn aan het ontkennen
estamos negando
jullie zijn aan het ontkennen
estáis negando
zij zijn aan het ontkennen
están negando
Author
ovdwalle
ID
180373
Card Set
AlleTijdenGerundio.txt
Description
Gerundio
Updated
2012-10-28T19:32:08Z
Show Answers
Home
Flashcards
Preview