-
Cuire.
- Bakken
- Bakte, bakten
- Gebakken
-
Commencer.
- Beginnen
- Begon, begonnen
- Begonnen
-
Comprendre (raisonnement).
- Begrijpen
- Begreep, begrepen
- Begrepen
-
Décider.
- Besluiten
- Besloot, besloten
- Besloten
-
Exister.
- Bestaan
- Bestond, bestonden
- Bestaan
-
Visiter.
- Bezoeken
- Bezocht, bezochten
- Bezocht
-
-
-
-
S'avérer, apparaître.
- Blijken
- Bleek, bleken
- Gebleken
-
Rester.
- Blijven
- Bleef, bleven
- Gebleven
-
Casser.
- Breken
- Brak, braken
- Gebroken
-
Apporter.
- Brengen
- Bracht, brachten
- Gebracht
-
-
Penser.
- Denken
- Dacht, dachten
- Gedacht
-
-
Porter.
- Dragen
- Droeg, Droegen
- Gedragen
-
Boire.
- Drinken
- Dronk, Dronken
- Gedronken
-
-
-
Siffler.
- Fluiten
- Floot, Floten
- Gefloten
-
-
Se comporter.
- Gedragen
- Gedroeg, Gedroegen
- Gedragen
-
-
Pendre, être accroché.
- Hangen
- Hing, Hingen
- Gehangen
-
-
Aider.
- Helpen
- Hielp, Hielpen
- Geholpen
-
S'appeler.
- Heten
- Heette, Heetten
- Geheten
-
Garder, tenir.
- Houden
- Hield, Hielden
- Gehouden
-
Aimer.
- Houden van
- Hield, Hielden
- Gehouden
-
-
-
Grimper.
- Klimmen
- Klom, Klommen
- Geklommen
-
-
acheter.
- Kopen
- Kocht, kochten
- Gekocht
-
Recevoir.
- Krijgen
- Kreeg, kregen
- Gekregen
-
-
Rire.
- Lachen
- Lachte, lachten
- Gelachen
-
-
-
-
-
Souffrir (d'une maladie).
- Lijden aan
- Leed, leden
- Geleden
-
Rassembler.
- Lijken op
- Leek, leken
- Geleken
-
-
Devoir.
- Moeten
- Moest, moesten
- Gemoeten
-
Pouvoir (permission).
- Mogen
- Mocht, mochten
- Gemogen
-
-
Fréquenter.
- Omgaan (met iemand omgaan)
- Ging om, giggen om
- Omgegaan (zijn)
-
Se lever.
- Opstaan
- Stond op, stonden op
- Opgestaan
-
Décéder.
- Overlijden
- Overleed, overleden
- Overleden
-
-
Crier, appeler.
- Roepen
- Riep, riepen
- Geroepen
-
Ecrire.
- Schrijven
- Schreef, schreven
- Geschreven
-
Dormir.
- Slapen
- Sliep, sliepen
- Geslapen
-
Sauter.
- Springen
- Sprong, sprongen
- Gesprongen
-
Etre debout.
- Staan
- Stond, stonden
- Gestaan
-
Mourir.
- Sterven
- Stierf, stierven
- Gestorven
-
Sortir.
- Uitgaan
- Ging uit, gingen uit
- Uitgegaan
-
Vendre.
- Verkopen
- Verkocht, verkochten
- Verkocht
-
Perdre.
- Verliezen
- Verloor, verloren
- Verloren
-
Apparaître.
- Verschijnen
- Verscheen, verschenen
- Verschenen
-
Comprendre (une langue).
- Verstaan
- Verstond, verstonden
- Verstaan
-
Partir.
- Vertrekken
- Vertrok, vertrokken
- Vertrokken
-
Inventer, imaginer.
- Verzinnen
- Verzon, verzonnen
- Verzonnen
-
Trouver.
- Vinden
- Vond, vonden
- Gevonden
-
Demander.
- Vragen
- Vroeg, vroegen
- Gevraagd
-
Jeter.
- Werpen
- Wierp, wierpen
- Geworpen
-
Vouloir.
- Willen
- Wilde/wou, wilden/wouden
- Gewild
-
gagner (un match).
- Winnen
- Won, wonnen
- Gewonnen
-
Devenir.
- Worden
- Werd, werden
- Geworden
-
-
-
Etre assis, (se trouver).
-
Chercher.
- Zoeken
- Zocht, zochten
- Gezocht
-
Nager.
- Zwemmen
- Zwom, zwommen
- Gezwommen
-
Déjeuner
- Ontbijten
- Ontbeet, ontbeten
- Ontbeten
-
Recevoir
- Ontvangen
- Ontving, ontvingen
- Ontvangen
-
Briller, sembler
- Schijnen
- Scheen, schenen
- Geschenen
-
Frapper
- Slaan
- Sloeg, sloegen
- Geslagen
-
Fermer
- Sluiten
- Sloot, sloten
- Gesloten
-
Couper
- Snijden
- Sneed, sneden
- Gesneden
-
Parler
- Spreken
- Sprak, spraken
- Gesproken
-
Voler
- Stelen
- Stal, stalen
- Gestolen
-
Autoriser
- Toelaten
- Liet toe, lieten toe
- Toegelaten
-
Tirer
- Trekken
- Trok, trokken
- Getrokken
-
Tomber
- Vallen
- Viel, vielen
- Gevallen
-
Interdire
- Verbieden
- Verbood, verboden
- Verbonden
-
Disparaître
- Verdwijnen
- Verdween, verdweenen
- Verdwenen
-
Oublier
- Vergeten
- Vergat, vergaten
- Vergeten
-
Quitter
- Verlaten
- Verliet, verlieten
- Verlaten
-
Voler (dans les airs)
- Vliegen
- Vloog, vlogen
- Gevlogen
-
Lave
- Wassen
- Waste, was ten
- Gewassen
-
-
-
-
-
Envoyer
- Zenden
- Zond, zonden
- Gezonden
-
Chanter
- Zingen
- Zong, zongen
- Gezongen
-
Se taire
- Zwijgen
- Zweeg, zwegen
- Gezwegen
|
|