Home
Flashcards
Preview
Verbs (past tense)
Home
Get App
Take Quiz
Create
lezen
*past tense*
(hebben) gelezen
[read]
zoeken
*past tense*
(hebben) gezocht
[searched]
vinden
*past tense*
(hebben) gevonden
[found]
kopen
*past tense*
(hebben) gekocht
[bought]
verkopen
*past tense*
(hebben) verkocht
[sold]
schrijven
*past tense*
(hebben) geschreven
[wrote]
brengen
*past tense*
(hebben) gebracht
[brought]
zetten
*past tense*
(hebben) gezet
[sat]
zijn
*past tense*
(zijn) geweest
[was / has been]
nemen
*past tense*
(hebben) genomen
[took]
werken
*past tense*
(hebben) gewerkt
[worked]
kijken
*past tense*
(hebben) gekeken
[looked]
poetsen
*past tense*
(hebben) gepoetst
[cleaned]
drinken
*past tense*
(hebben) gedronken
[drank]
eten
*past tense*
(hebben) gegeten
[ate]
vragen
*past tense*
(hebben) gevraagd
[questioned]
begroeten
*past tense*
(hebben) begroet
[greeted]
zeggen
*past tense*
(hebben) gezegd
[said]
geven
*past tense*
(hebben) gegeven
[gave]
wassen
*past tense*
(hebben) gewassen
[washed]
zetten
*past tense*
(hebben) gezet
[put, placed]
hangen
*past tense*
(hebben) gehangen
[hung]
wandelen
*past tense*
(hebben / zijn) gewandeld
[walked]
spreken
*past tense*
{hebben] gesproken
[spoke]
blijven
*past tense*
(zijn) gebleven
[remained]
komen
*past tense*
(zijn) gekomen
came
zijn
*past tense*
(zijn) geweest
[was]
doen
*past tense*
(hebben) gedaan
[did]
koken
*past tense*
(hebben) gekookt
[cooked]
bakken
*past tense*
(hebben) gebakken
[baked]
meebrengen
*past tense*
(hebben) meegebracht
[brought along]
strijken
*past tense*
(hebben) gestreken
[ironed]
dekken
*past tense*
(hebben) gedekt
[cover / set the table]
afruimen
*past tense*
(hebben) afgeruimd
[cleared the table]
afwassen
*past tense*
(hebben) afgewassen
[washed the dishes]
afdrogen
*past tense*
(hebben afgedroogd)
[dried the dishes]
spelen
*past tense*
(hebben) gespeeld
[played]
leren
*past tense*
(hebben) geleerd
[learned]
maken
*past tense*
(hebben) gemaakt
[made]
ontbijten
*past tense*
(hebben) ontbeten
[ate breakfast]
slapen
*past tense*
(hebben) geslapen
[slept]
opstaan
*past tense*
(zijn) opgestaan
[got up]
snijden
*past tense*
(hebben) gesneden
[cut]
bellen
*past tense*
(hebben) gebeld
[phoned]
liggen
*past tense*
(hebben) gelegen
[laid]
winnen
*past tense*
(hebben) gewonnen
[won]
staan
*past tense*
(hebben) gestaan
[stood]
wachten
*past tense*
(hebben) gewacht
[waited]
schilderen
*past tense*
(hebben) geschilderd
[painted]
vallen
*past tense*
(zijn) gevallen
[fell]
gaan
*past tense*
(zijn) gegaan
[went]
aankomen
*past tense*
(zijn) aangekomen
[arriving / incoming]
vertrekken
*past tense*
(zijn) vertrokken
[left / departed]
lopen
*past tense*
(zijn) gelopen
[ran]
stelen
*past tense*
(hebben) gestolen
[stole]
kiezen
*past tense*
(hebben) gekozen
[chose]
wegen
*past tense*
(hebben) gewogen
[weighed]
trekken
*past tense*
(hebben) getrokken
[pulled]
leggen
*past tense*
(hebben) gelegd
[put / placed]
betalen
*past tense*
(hebben) betaald
[paid]
thuiskomen
*past tense*
(zijn) thuisgekomen
[came home]
opruimen
*past tense*
(hebben) opgeruimd
[straighten up]
passen
*past tense*
(hebben) gepast
[fit]
bezoeken
*past tense*
(hebben) bezocht
[visited]
studeren
*past tense*
(hebben) gestudeerd
[studied]
hebben
*past tense*
(hebben) gehad
[had]
versturen
*past tense*
(hebben) verstuurd
[sent off / dispatched]
rijden
*past tense*
(hebben) gereden
[drove / rode]
roken
*past tense*
(hebben) gerookt
[smoked]
halen
*past tense*
(hebben) gehaald
[got - you got it yourself]
krijgen
*past tense*
(hebben) gekregen
[got / recieved]
kussen
*past tense*
(hebben) gekust
[kissed]
posten
*past tense*
(hebben) gepost
[posted]
zwemmen
*past tense*
(hebben / zijn) gezwommen
[swam]
fietsen
*past tense*
(hebben / zijn) gefietst
[biked]
winkelen
*past tense*
(hebben) gewinkeld
[shopped]
dansen
*past tense*
(hebben) gedanst
[danced]
Author
Callaluna
ID
138111
Card Set
Verbs (past tense)
Description
Past tense for Dutch verbs
Updated
2012-05-23T21:10:35Z
Home
Flashcards
Preview