-
do, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
dedi, datus (dare) - geven
-
certo (inf.)
(certare) - strijden, wedijveren
-
occido, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
occidi, occisus (occidĕre) - doden
-
decerno, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
decrevi, decretus (decernĕre) - besluiten tot, beslissen
-
ruo, perf. (inf.)
rui (ruĕre) - zich storten, snellen, instorten
-
resisto, perf. (inf.)
restiti (resistĕre) - zich verzetten, weerstand bieden
-
-
augeo, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
auxi, auctus (augere) - vermeerderen, vergroten
-
persuadeo, perf., participia
passief van het perf. (inf.) + welke naamval?
persuasi, persuasum (persuadere) + dat. - overreden, overtuigen
-
primum (bijw.)
eerst, voor het eerst
-
assiduus
onafgebroken, voortdurend
-
turpis, onz.
turpe - schandelijk
-
accipio, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
- accepi, acceptus (accipĕre) - ontvangen, verkrijgen
- vernemen
-
-
credo, perf. (inf.)
- credidi (credĕre) - (+ dat.) geloven, vertrouwen, toevertrouwen
- (+ A.C.I.) geloven, menen, brengen tot/naar
-
perduco, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
perduxi, perductus (perducĕre) - brengen tot/naar
-
nego (inf.)
- (negare) - weigeren
- (+ A.C.I.) ontkennen, zeggen dat niet
-
includo, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
inclusi, inclusus (includĕre) - insluiten, opsluiten
-
plures (mv.)
meer, meerdere(n)
-
genus, gen. (geslacht)
- generis (onz.) - afkomst, geslacht
- soort
-
commoveo, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
- commovi, commotus (commovere) - bewegen
- ontroeren, schokken
-
crimen, gen. (geslacht)
criminis (onz.) - beschuldiging
-
maior, gen.
maioris - groter
-
mensis, gen. (geslacht)
mensis (mnl.) - maand
-
fleo, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
flevi, fletus (flere) - (be)wenen, huilen (om)
-
-
plerique
de meeste(n), zeer vele(n)
-
legio, gen. (geslacht)
legionis (vrl.) - legioen
-
videor, perf. (inf.) + welke naamval?
visus sum (videri) (+ dat.) - (toe)schijnen (aan)
-
valeo, (inf.)
(valere) - krachtig zijn, gezond zijn
-
desum, perf. (inf.)
defui (deesse) - ontbreken
-
peto, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
- peti(v)i, petitus (petĕre) - vragen
- streven naar
-
-
qualis, onz.
- quale - hoedanig
- zodanig als
-
opto (inf.)
(optare) - wensen
-
cremo (inf.)
(cremare) - verbranden
-
-
princeps, gen.
- principis - de eerste, leider
- keizer
-
admitto, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
admisi, admissus (admittĕre) - toelaten
-
facilis, onz.
facile - gemakkelijk
-
vale!
gegroet!, het beste!, tot ziens!
-
Kalendae (= Kal.)
Kalendae (1e van de maand)
-
condo, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
- condidi, conditus, (condĕre) - stichten
- opbergen
-
vulgus (geslacht) (volgens welke groep wordt dit ombogen?)
(onz.) (dominus-groep) volk
-
praesens, gen.
praesentis - aanwezig
-
discedo, perf. (inf.)
- discessi (discedĕre) - weggaan
- uiteengaan
-
-
defero, perf., participia
passief van het perf. (inf.)
detuli, delatus (deferre) - (weg)brengen
-
-
aeger, (vrl.), (onz.)
aegra, aegrum - ziek
|
|