-
iuro (inf.)
(iurare) - zweren
-
adduco, perf. (inf.)
adduxi (adducĕre) - brengen naar/in
-
-
-
induco, perf. (inf.)
- induxi (inducĕre) - brengen naar
- brengen tot, verleiden tot
-
-
-
-
-
aetas, gen. (geslacht)
aetatis (vrl.) - leeftijd, leven, tijd
-
-
-
fraus, gen. (geslacht)
fraudis (vrl.) - bedrog
-
sub + welke naamval?
abl. - onder
-
-
-
-
-
-
agmen, gen. (geslacht)
agminis (onz.) - stoet, kolonne
-
maneo, perf. (inf.)
mansi (manere) - blijven, wachten (op)
-
moenia, gen. (geslacht)
moeniorum (onz. mv.) - (stads)muren
-
fatigatus, (vrl.), (onz.)
fatigata, fatigatum - vermoeid
-
augustus, (vrl.), (onz.)
- augusta, augustum - nauw, eng
- beperkt
-
terror, gen. (geslacht)
terroris (mnl.) - angst
-
-
incedo, perf. (inf.)
- incessi (incedĕre) - voortgaan
- binnengaan
-
-
fundo, perf. (inf.)
fudi (fundĕre) - gieten
-
-
iter, gen. (geslacht)
- itineris (onz.) - weg
- reis, mars
-
-
cado, perf. (inf.)
cecidi (cadĕre) - vallen
-
arbor, gen. (geslacht)
arboris (vrl.) - boom
-
-
infundo, perf. (inf.) + welke naamval?
infudi (infundĕre) + acc. - gieten op/in
-
descendo, perf. (inf.)
descendi (descendĕre) - afdalen
-
praeceps, gen.
- praecipitis - hals over kop, snel
- steil
-
caedo, perf. (inf.)
cecidi (caedĕre) - vellen, doden
|
|